WFHi logo
W.F. Hermans handtekening
websitenaam
stippen

Korte biografie van Willem Frederik Hermans *

Nederlands prozaschrijver (Amsterdam 1.9.1921). Stammend uit een Amsterdams onderwijzersgezin; de zelfmoord van zijn zuster en een neef bij de inval van de Duitsers in mei 1940 betekende een schok voor hem. Ging na het gymnasium fysische geografie studeren aan de universiteit van Amsterdam; promoveerde in 1955 cum laude, was van 1958-1973 lector in Groningen.

Verliet in 1973 enigszins verbitterd Nederland en vestigde zich als schrijver in Parijs. Schreef behalve romans en verhalen ook gedichten, toneelstukken en essays; vertaalde o.m. werk van Wittgenstein; was redacteur van Criterium (1946-1948) en van Podium (1950 en 1963-1964). Weigerde in 1972 de P.C. Hooftprijs; accepteerde in 1977 de Prijs der Nederlandse Letteren. Hermans publiceerde kort na de Tweede Wereldoorlog poëzie (Horror coeli, 1946) en verhalen (Moedwil en misverstand, 1948), werk waaruit aandacht voor irrationele aspecten en voor de nachtzijde van het bestaan blijkt. De roman De tranen der acacia's (1949) beschrijft de identiteitscrisis van een tijdens de Tweede Wereldoorlog opgroeiende jongeman: noch in het politieke (verzet en verraad), noch in het psychologische vlak (vader-, moeder-, zusterfiguren) slaagt deze erin een weg te vinden in de ondoorzichtigheid van de werkelijkheid. De roman schokte het publiek door zijn cynisme, maar de hoofdpersoon Arthur Muttah was voor velen de personificatie van een na-oorlogs levensgevoel. Ook in de roman Ik heb altijd gelijk (1952) is een verbinding tussen een politiek (de situatie in Nederland kort na de politionele acties in Indonesië) en een psychologisch plan (vooral de zusterfiguur) nagestreefd. Het thema is dat van het gefnuikte genie en de zinloosheid van diens woede: wie gelijk heeft, heeft nog niets. Anti-katholieke uitspraken van de hoofdpersoon leverden de auteur een gerechtelijke vervolging op; er volgde echter vrijspraak.

De veelgelezen novelle Het behouden huis (1952) toont de chaos in de schijnbare orde van een samenleving. In de verhalenbundel Paranoia (1953) kunnen personages soms geen onderscheid maken tussen waan en werkelijkheid, terwijl in de bundel Een landingspoging op Newfoundland (1957) het thema van de onmogelijkheid van de door zijn omgeving gemutileerde mens om zichzelf te bewijzen en de beperkingen van de eenzaamheid te doorbreken soms op surrealistische wijze wordt verwoord. De grotesken De God Denkbaar, Denkbaar de God (1956) en het vervolg Het evangelie van O. Dapper Dapper (1973) vormen op associatie en spel gebaseerde `verhalen', die de relatie tussen taal en denken tot thema hebben en die wijzen op de zinloosheid van veel ideeën buiten de niet-exacte wetenschappen aantonen.

Nationale erkenning bracht de roman De donkere kamer van Damokles (1958), waarin de hoofdpersoon Henri Osewoudt door Dorbeck, in uiterlijk zijn evenbeeld maar psychologisch zijn tegenpool, in het verzet tegen de Duitse bezetter wordt betrokken; hij voert blindelings diens opdrachten uit, menend een identiteit verworven te hebben, maar hij kan na de oorlog, als zijn dubbelganger onvindbaar blijkt, zijn daden niet bewijzen: is hij verzetsheld of verrader, slachtoffer of psychopaat? Bewijzen ontbreken, feiten kunnen op verschillende wijzen geïnterpreteerd worden en ook de lezer kan niets bewijzen. Men kan de roman tegelijkertijd lezen als een spannend oorlogsverhaal, als een psychologisch verhaal over het identiteitsprobleem en als een filosofisch verhaal dat de onkenbaarheid van de mens en zijn geschiedenis tot thema heeft. In dit licht bezien kan men De tranen der acacia's als een voorstudie beschouwen.

Als Hermans' beste werk wordt Nooit meer slapen (1966) beschouwd, dat een mislukte wetenschappelijke expeditie in Lapland van de jonge geoloog Alfred Isendorf beschrijft. Deze roman kan men eveneens op drie wijzen lezen: als een verslag van een ontdekkingstocht, als een psychologisch verhaal van een jongeman die zijn vader wil overtreffen en als een filosofisch verhaal waarin de speurtocht naar meteorieten gezien moet worden als een `graalqueeste', die de hoofdpersoon echter slechts tot het besef brengt dat hij geen inzicht heeft in de in wezen onbegrijpelijkheid van het leven. In verband met dit laatste zou men van een `omgekeerde Bildungsroman' kunnen spreken. Het thema van de mislukking in de uitvoering van een taak vindt men ook in het toneelstuk De psychologische test (in Drie drama's, 1962); in King Kong (1972) wordt het begrip `historische waarheid' ondermijnd, terwijl in een derde toneelstuk Periander (1974), een op een verhaal van Herodotus gebaseerd vader-zoon-conflict, zowel tirannie als democratie met de natuurlijke machtsdrift in verband worden gebracht.

In Herinneringen van een engelbewaarder (1971), een opnieuw in de Tweede Wereldoorlog spelende roman, waarin een `wolk van niet weten' (ondertitel) tussen de hoofdpersoon en zijn leven hangt, wordt getoond dat het menselijk handelen niet doelgericht is, dat het een aaneenschakeling is van verwarring en vergissingen. Vanaf dit werk raken de grote filosofisch geaarde en symbolisch weergegeven themata in Hermans' werk enigszins op de achtergrond en krijgt een satirische benadering van de mens en zijn leven meer nadruk, terwijl tegelijkertijd de verzorging van het verhaal als verhaal (intrige, stijl) de volle aandacht krijgt: zo ook de in de Groningse academische wereld spelende romans Onder professoren (1975) en Uit talloos veel miljoenen (1981) en de strakke novellen Filip's sonatine en Homme's hoest (beide 1980).

Als essayist en polemist stelde Hermans in Mandarijnen op zwavelzuur (1964) de afhankelijkheid van zijn Nederlandse collega-schrijvers van politieke, maatschappelijke, religieuze of ethische (waan)systemen aan de kaak .Zijn meest verbitterde polemiek voerde Hermans in de Weinreb-zaak. Friedrich Weinreb was een uit Polen afkomstig jood, die in een poging de Nazi-vernietigingsmachine te overleven Duitse connecties en beschermende lijsten verzon, waarmee hij vele joodse lotgenoten aanvankelijk benadeelde en later zelfs verried. Hijzelf zette, in zijn vanaf 1969 verschenen memoires, zijn gedrag in een geheel ander licht en werd daarbij gesteund door Renate Rubinstein en Aad Nuis. Herman's ontmaskering van Weinreb als een pathologische leugenaar werd in 1976, door een rapport van het RIOD, volledig onderschreven. De inspanning die zijn polemiek met Rubinstein en Nuis hem kostte belette hem evenwel het vervolg op Herinneringen van een engelbewaarder te schrijven.

Met name in de bundel Het sadistische universum (1964; 2de dl. 1970) vindt men Hermans' literair credo: het literair werk is een functioneel geconstrueerde wereld en kan geen afbeelding van de werkelijkheid zijn; de roman moet geen realistisch, naturalistisch of psychologisch verhaal zijn, maar een mythisch, waarin de personages personificaties zijn van aspecten van het menselijk bestaan zoals dat in diepste wezen is. Zijn veelzijdige belangstelling toont Hermans in zijn opstellen over onderwerpen uit de literatuur (o.a. Multatuli), kunst (o.a. fotografie), filosofie (o.a. Wittgenstein), techniek, politiek en geschiedenis (o.a. de Tweede Wereldoorlog), behalve in Het sadistische universum ook gebundeld in Houten leeuwen en leeuwen van goud en Ik draag geen helm met vederbos (beide 1979), opstellen waarin de verschijnselen getoetst worden aan de waarde die ze volgens de auteur zouden moeten hebben.

Vanaf het begin van de jaren tachtig reactiveerde Hermans een genre waarin hij, sedert Het behouden huis bewezen had als geen ander vaardig in te zijn, de novelle. Kort achter elkaar publiceerde hij Filip's sonatine, Homme's hoest (beide 1980), Geyerstein's dynamiek (1982) en De zegelring (1984), waarin oude thema's - werkelijkheid en vervorming, oorspronkelijkheid en afleiding, ambitie en onvermogen - in pregnante, nieuwe vorm gegoten zijn. Ook zette hij de bundeling van zijn essayistieke werk voort - Klaas kwam niet (1983), Door gevaarlijke gekken omringd (1988) en Malle Hugo (1994), met daarin portretten en polemieken, of, zoals de ondertitel van het laatste boek luidt, ‘vermaningen en beschouwingen’.

Belangrijker is de uitbreiding die zijn romanoeuvre kreeg. Vanaf Een heilige van de horlogerie (1987) keerde Hermans terug naar de wortels van zijn schrijverschap, zij het soms in een veel mildere, bijna melancholieke toon. Twee dominante aspecten van zijn romantechniek, het realisme en het surrealisme, worden er verbonden tot wat Ton Anbeek een ‘droomrealisme’ genoemd heeft, term die ook zeer wel past bij de grote roman die hij in 1989 publiceerde, Au pair. De wereld waarin de hoofdpersonen zich bewegen is onverminderd magisch, het verhaal een spel van spiegeling en tegenstelling, onvermogen en onbegrip. Maar het mededogen van de auteur die in Au pair zelfs in persoon aanwezig is, doortrekt de gehele intrige.

Het persoonlijke leven van Hermans ging intussen niet over rozen. De reis naar Zuid-Afrika die hij in 1982 op uitnodiging van zijn uitgever aldaar, Human en Rousseau, ondernam, kwam hem in Nederland te staan op veel commotie in de media en een officiële boycot, afgekondigd in 1986, van de stad Amsterdam. Op 5 december 1988 was hij zelfs het slachtoffer van een aanslag door een paranoïde persoon, die nog minder dan de stad de literatuur en de werkelijkheid uit elkaar kon houden. Daar staat tegenover dat hij in 1990 eredoctor werd van de universiteit van Luik, en in 1993 van de universiteit van Pretoria.

In de jaren negentig begon Hermans, bewust of onbewust, de cirkel van zijn schrijversloopbaan rond te trekken. In 1991 verhuisde hij van zijn geliefde Parijs naar zijn wellicht nog geliefder Brussel. In dat jaar publiceerde hij een van zijn sterkste verhalenbundels, De laatste roker, waarvan het oudste verhaal, ‘Cascaden en riolen’ al uit 1943 dateerde en dat verder ook drie Richard Similion-verhalen bevat, genoemd naar de alter ego van Hermans zelf, die daarmee een van de intrigerendste literaire experimenten in autobiografie voltooide. In 1992 kreeg hij de opdracht om het Boekenweekgeschenk van het jaar erop te schrijven: In de mist van het schimmenrijk, later in zijn volledige omvang gepubliceerd als Madelon in de mist van het schimmenrijk. Daartoe keerde hij terug tot het manuscript van zijn eerste, nooit gepubliceerde, roman van 1944 Argelooze terreur, later in zijn volledige omvang gepubliceerd als Madelon in de mist van het schimmenrijk). Niet helemaal voltooid vanwege zijn dood maar wel door hemzelf voor publicatie afgestaan tenslotte was de in 1995 verschenen roman Ruisend gruis, even polyfoon als gecondenseerd, met daarin stemmen uit zijn gehele oeuvre, surreëel en descriptief, duister en herkenbaar. Na een kort ziekbed stierf hij, op 27 april 1995.

Hermans kan niet bij een na-oorlogse stroming ingedeeld worden. Zijn thematiek evenwel, waarin het waarheidsprobleem centraal staat, sluit aan bij die van de romantiek als literaire stroming. Als romantisch rationalist ziet hij twee wegen die de mens in staat stellen om in de chaos van zijn wereld ordenend op te treden: betrouwbare en controleerbare uitspraken kan hij alleen doen met de middelen van de logica en de exacte wetenschappen; daarbuiten in de filosofie, ethiek, psychologie, in de mens- en maatschappijwetenschappen, bestaan geen zekerheden; alleen in literatuur en kunst kunnen met irrationele middelen `waarheden' worden `aangetoond'. Deze positie tussen (neo-)positivisme en (neo-)romantiek houdt de erkenning in dat de wereld van de mens grotendeels onkenbaar is (zelfs de taal is een onbetrouwbaar instrument) en het universum kan daarom sadistisch worden genoemd omdat de mens over onvoldoende mogelijkheden beschikt zijn bestaan daarin te begrijpen. Hermans' personages zijn personificaties van aspecten van zijn wereldbeeld: zij zijn eenzamen die hun wereld voortdurend verkeerd interpreteren, in het contact met andere interpretaties niets zinvols kunnen doen, overgeleverd zijn aan moedwil (het bedrog van de anderen), misverstand en toeval; zij mislukken, gaan ten onder aan de discrepantie tussen de wereld en hun voorstellingen daarvan. In deze wereld, waarin tenslotte de natuurkrachten (machtsdrift, agressiviteit) het winnen, is geen plaats voor begrippen als vrijheid en verantwoordelijkheid, noch voor ethisch idealisme: in de jungle van het menselijk bestaan is een offer voor de goede zaak zinloos. Dit pessimistische wereldbeeld, dat ver afstaat van het personalisme van Ter Braak en Du Perron of van het (in wezen ethisch) existentialisme van Sartre en Camus, toont hier en daar verwantschap met het werk van o.m. Sade, Kleist, Schopenhauer, Freud, Céline en Wittgenstein.

Frans A. Janssen / Willem Otterspeer


Het WFHi en Uitgeverij De Bezige Bij hebben samen met de Erven Hermans in 2002 een keuze gemaakt uit een aantal kandidaten voor het schrijven van een zeer leesbare en tegelijk wetenschappelijk verantwoorde intellectuele biografie over Willem Frederik Hermans. De keuze is daarbij gevallen op Willem Otterspeer. Hij is hoogleraar geschiedenis aan de Universiteit van Leiden. In 2005 publiceerde hij het derde deel van Groepsportret met dame, een studie naar de geschiedenis van de Leidse universiteit. Hij schreef verder Bolland, de veelgeprezen biografie van de hoogleraar G.J.P.J. Bolland, waarvoor hij de Eureka-prijs en de Biografie-prijs ontving. In 2005 zal van zijn hand bij Uitgeverij De Bezige Bij verschijnen Orde en trouw. Over Johan Huizinga. Zijn biografie over Willem Frederik Hermans staat gepland voor 2007-2008.


Zie voor een overzicht van de werken van Willem Frederik Hermans, de rubriek oeuvre

Zie voor een overzicht van zijn verspreide publicaties, de bibliografie Schrijven is verbluffen

Zie voor een overzicht van de literatuur over Willem Frederik Hermans: Secundaire bibliografie van Willem Frederik Hermans


 


* Deze korte biografie is gebaseerd op de korte levensschets die Frans A. Janssen in 1985 bijdroeg aan G.J. van Bork en P.J. Verkruijsse, De Nederlandse en Vlaamse auteurs. Uitgeverij De Haan, Weesp 1985. Deze schets is, voor de periode na 1985, aangevuld door Willem Otterspeer.