terug  begin  verder
[p. 71]

6. Ben Bos De weerloze mens fascineert

[Oorspronkelijk gepubliceerd in: De Nieuwe Linie, 20 februari 1965]

 

- Opmerkelijk voor uw werk vind ik dat de daarin beschreven figuren langs elkaar heen schuiven en daardoor ook zelf geïsoleerd zijn. Is er geen mogelijkheid om aan dit alles verlammende alleen-zijn te ontsnappen?

- De mogelijkheid om het persoonlijk isolement te doorbreken wordt door veel mensen overschat. Er is gebrek aan communicatie. Iemand die een gelukkige jeugd heeft gehad ziet dat gebrek misschien niet, kan misschien verbondenheid voelen met alles en iedereen. Maar zo'n alles toedekkende verbondenheid rust op gebrek aan zelf-bewustzijn. Iemand die nadenkt neemt bij de mensen alleen een psychische en materiële verbondenheid waar. De hogere, alles samenvattende verbindingen waar de religieus levende mens aan denkt ziet hij niet.

- Moet men voor dit na-denken een ongelukkige jeugd hebben gehad?

- Nee, maar een ongelukkige jeugd is wel een prikkel om jezelf veel af te vragen.

- Wat is menselijke verbondenheid dan eigenlijk, volgens u?

- Het is wederzijdse afhankelijkheid, niet meer en niet minder. Afhankelijkheid betekent on-vrij zijn. Er is in deze on-vrijheid geen sprake van geborgenheid. Het vaak vertelde en voorgehouden vrijheid zoeken in gebondenheid is onzin.

- Waar is in deze medemenselijk geleefde wereld dan nog een zingeving aan het bestaan mogelijk?

- Iemand die gelovig is zegt: ‘Is het geen troost dat je bestaan door God geleid wordt?’ Ik moet dan antwoorden: ‘Jawel, natuurlijk, maar waar plaats je die God?’ De ruimtevaart komt Hem niet tegen, echt niet, ook al denkt mijn buurvrouw dat Hij binnenkort op de Telstar zal zitten. Nee hoor. God is miljoenen lichtjaren van

[p. 72]

ons vandaan, als Hij er al is. Bij zo'n God is geen geborgenheid denkbaar. Tegen de tijd dat Hij kennis neemt van Auschwitz is die verschrikking al een eeuwigheid lang geen probleem meer voor de mens. De vraag wat is de zin van mijn bestaan, is - buiten God - een vraag, die je niet kunt stellen. Je kunt vragen: Wat is de zin van elektriciteit? Antwoord: Elektriciteit is goed voor de stofzuiger, het licht, de handmixer. Maar als je vraagt naar de zin van het leven stel je een onmogelijke vraag. Wat is hèt leven eigenlijk? Wie weet dat? Niemand! De biologen weten het niet eens helemaal. Voor een antwoord op de zin-vraag van het leven zou je ook moeten weten wat niet-leven is. Stel je even voor. Zoiets gaat doodeenvoudig niet. Ik kan niet uit het leven stappen om er van buitenaf een antwoord tegen aan te zetten. Je kunt alleen wijzen naar de bedoelingen van de mensen. Voor iemand die niet in een schepper gelooft, is er geen ander antwoord mogelijk. Dat antwoord luidt: Kijk naar de mens. Een zin heeft alleen datgene wat een nawijsbaar doel heeft. Zo kan ik bijvoorbeeld de zin van een bril begrijpen. Deze zin is: Ik kan er beter door kijken. Daar is de kous mee af. Met die zin ben ik tevreden gesteld. Wanneer ik zo'n zinvraag uitbreid naar het bestaan zelf kom ik op een terrein waar de vraag zinloos wordt. De bril heb ik wel, het leven niet gemaakt. Naar de zin van de bril kan ik vragen, naar de zin van het bestaan niet.

- Wat is, wanneer de zin ervan zich niet beantwoorden laat, het bestaan dan wel?

- Ook deze vraag is er een vol ondoelmatig taalgebruik. Ik zit zelf midden in het bestaan en juist omdat ik er midden in zit kan ik niet vergelijken, heb ik geen materiaal voorhanden om te zeggen wat het bestaan is.

- Waarom leeft men in zo'n vacuüm toch door?

- Er is de levensdrift en de doodsangst. Normaal gesproken leven wij mensen trouwens buiten de zinvragen van het bestaan. We weten gewoon dat een uiteindelijk antwoord niet mogelijk is, accepteren dat onvermogen en het leven zoals het valt.

- Jawel, maar toch komt incidenteel de vraag op, waarvoor leef je nu eigenlijk? Of niet soms?

[p. 73]

- Ach dat is een retorische vraag hoor. Camus doet ook zoiets met zijn grote dilemma: de mens kent maar één werkelijke keuze, wèl of géén zelfmoord. Met zo'n dilemma wordt een schijnprobleem opgediend van de eerste orde. Is Camus doorgegaan met leven of niet? Ja toch. Zijn moeilijke probleem is gewoon een theorie. Meer niet. Misschien denken wij mensen - in een goede bui - één seconde per dag aan de vraag: Waarom leef ik nu eigenlijk. We kunnen deze gedachte niet overdrijven. Het leven vraagt handeling. Je moet eten, de kost verdienen, een muur schilderen, autorijden en weet ik wat al. Zo is de mens, hij maakt zich problemen, maar vóór alles leeft hij gewoon door. We stellen ons wel eens een vraag; vooral als het minder goed gaat; zo zijn we wel; maar nadat je bij een tegenvaller de haren uit je kop hebt gerukt ga je gewoon door met ademhalen.

- Maar toch niet zo gewoon of de door u beschreven figuren kennen schuldgevoelens. Die gevoelens krijgen vaak zulk een nadruk dat ik me afvraag: Is de mens, zo gauw hij leeft, niet noodzakelijkerwijze schuldig? Is er op die schuld - ontstaan door het menselijk tekort - een verzoening denkbaar, een verzoening die verder reikt dan de mens?

- Wanneer er een klein jongetje in de gracht valt en verdrinkt zijn de twintig kijkers op de brug, die niets doen, schuldig aan zijn dood. Miljoenen anderen weten nergens van, zijn onschuldig. Die twintig zijn schuldig door hun toevallige aanwezigheid. Schuld ontstaat door contact en het tekort daarbinnen. Dat tekort wordt bepaald door erfelijkheid en toevallige omstandigheden. Schuld met een hoofdletter, die vraagt om verderreikende verzoening, heeft nergens een menselijke fundering. Van die schuld weet ik niets. Ik stel: ‘Het individu op zich is niet schuldig.’ De omstandigheden brengen iemand tot schuld. Wanneer je je beloften niet nakomt, ga je schuld voelen. Dat is gekrenkte eerzucht. Zoiets moet je in mooie woorden geen hoge status gaan geven en je moet er zeker geen verreikende dimensies aan bevestigen. Iemand die volstrekt nederig is kent immers geen schuldgevoel. Schuld hebben is gebrek aan nederigheid.

[p. 74]

- Volstrekte nederigheid bezit niemand. De maat van het volledige is voor de mens niet haalbaar.

- Neen. Dat is waar. Daarom is schuld een menselijke zaak, zonder verwijzing naar iets wat verder reikt.

- Maar u spreekt zelf over de waarde van de geheimzinnigheid in uw werk. Hoe bedoelt u dat dan?

- Mijn boek De donkere kamer van Damoclesis wel vergeleken met een mysterie. In een detectiveroman wordt het opgevoerde raadsel volledig opgelost. In De donkere kamer van Damocles blijft het raadsel intact. Dit laatste is het meest reële. De mensen maken in het leven immers overal raadsels van. Er zijn mensen die daaraan een allesomvattende zin geven. Doe je dat niet, dan moet je met de opgeroepen raadsels leven. Natuurlijk zijn er veel raadsels achterhaalbaar, oplosbaar. Maar desondanks houdt één uitspraak mij ontzettend bezig. Die uitspraak luidt: ‘Der Mensch ist der ewig Betrogene des Universums.’

Dit kun je heel concreet verstaan. Honderd jaar geleden gingen kinderen dood aan tbc. Nu niet meer. We hebben het raadsel opgelost. Achteraf gezien zijn al die kinderen vroeger voor niets gestorven. Was al dat verdriet vergeefs? Wat een bedrog, vind je niet? Hoeveel raadsels lossen we momenteel met de communicatiemiddelen niet op. Maar mogen we al meer weten dan vroeger, we hebben daarmee meteen ook grotere problemen. Denk maar aan de atoombom en aan de voldane voorwaarden waarin een bevolkingsexplosie mogelijk is. We hebben een wereld gemaakt waarop veel mensen kunnen leven. Daarmee hebben we het leed enorm vergroot. Wat we ook doen, we blijven bedrogen uitkomen. Waarom moeten we aan dat bedrog diepzinnigheden verbinden? Door onze opvoeding en tv-dagsluiters worden we steeds op metafysische vragen gedrukt. Maar vergeet die dingen nou eens en houdt het bij jezelf, bij de aarde. Op die aarde leven drie miljard mensen. Drie miljard! Een onvoorstelbaar grote groep. Hoeveel van die mensen ken jij echt? Misschien twintig en vervagend tot oppervlakkige kennissen een paar honderd. Hoe kun je je dan nog voorstellen dat jouw beginbestaan een exclusieve zin heeft. Kijk

[p. 75]

naar de goedkope dood in India. Een land waar het leven niets waard is. Waar de mensen kreperen als muizen. Waarachtig. Bij ons is één begrafenis zo duur dat er in India een hele familie mee in leven gehouden kan worden. Wat is de zin ervan? Als je je deze tegenstellingen voorstelt, vergaat je de lust om erover na te denken. Dat diepzinnig leuteren over ons leven komt door te veel eten, door de welvaart. Met een volle maag is het goed filosoferen. In de hongerwinter van de afgelopen wereldoorlog was ik twintig jaar. Ik heb toen gezien hoe gemakkelijk een mens afstand doet van alle welvaartsartikelen. Hij laat ook de metafysica gemakkelijk los hoor. Moraal, ethiek en geloof leggen het loodje tegen de honger. Die mooie bovenbouw laat de mens zonder meer vallen wanneer hij moet eten. Confronteert de mens zich met zijn naakte bestaan dan vraagt hij: ‘Hoe krijg ik een volle maag?’ Op die vraag worden alle aangebrachte grenzen van geloof en fatsoen doorbroken. Wanneer wij in een oorlog komen waar de dood goedkoop is, komen we niet meer aan diepzinnigheden toe. We zetten dan ons zo kostbaar verklaarde leven op het spel en nemen risico's om wat in de mond te steken of uit de handen van de vijand te blijven. Het bestaan is dan ook erg eigenaardig, vind ik. Soms zijn de mensen als de hamsters die, zonder nawijsbare reden de zee inlopen, zelfmoord plegen. Eerst maakt de mens veel drukte over het leven; als de nood aan de man komt zet men het in voor niets.

- Is er dan maar één werkelijkheid, de chaos?

- De westerse mens denkt logisch. Hij kent de hanteerbare natuurwetten, die de chaos bemeesteren. Vóór die ordening leefde men als paarden, tijgers, mieren. Men leeft nu als mens in de natuurwetenschappelijke ordening. Maar ook deze ordening is slechts een accident. Onze ordening verdwijnt in het niet tegen alles wat wij niet weten. Ja waarachtig, wat we ook doen, we zijn de eeuwig bedrogenen van het universum. Ook de natuurwetenschap zelf is chaos, waarvan wij het chaotische uit het oog verliezen.

- Is er nergens een vast punt?

- Natuurlijk wel. We kunnen vaste punten maken door onderlinge afspraken. We kunnen afspreken dat water stolt bij nul graden.

[p. 76]

Die afspraak is dan geldig. Iets wat je stelt kan niet tegelijkertijd tegengesteld zijn. Die vastheid hebben we.

- Desondanks stelt u in uw werk dat er niets zeker is omdat voor elke mens ‘alles’ mogelijk is.

- Zeker-zijn over je leven kun je inderdaad niet. Je kunt straks overreden worden. Dan verandert alles. Deze verandering geldt ook voor de natuurwetenschappen. Niemand kan de ontwikkeling ervan overzien. En ontwikkeling is verandering. Zo zie je, zodra de mens buiten de kleine logische wetten valt, tast hij in het duister, zit hij in de chaos.

- Wat is dan waar?

- Twee maal twee is vier. Deze waarheid speelt zich af in de natuurwetenschappen. Daarbuiten - wat is de waarheid van ons leven? - is de vraag niet meer hanteerbaar. Wij kennen alleen waarheden die corresponderen met onze waarneming in het meetbare. Wanneer ik zeg dat de Martinitoren 96 meter hoog is kan u met de meetstok na-meten of het waar is. Wanneer u denkt over de waarheid van uw leven dan stelt u zich er een blauwdruk van voor. Een blauwdruk waaraan uw bestaan moet beantwoorden, waaraan u afgemeten kunt worden. De bijbel probeert ons die blauwdruk wijs te maken. Maar dat boek staat vol onlogische dingen. Er staat bijvoorbeeld dat God de aarde schiep en zag dat het goed was. Waarvoor goed? Wat zag Hij dan? Een kopje is goed om er koffie in te doen maar iets wat goed is op zichzelf is nergens goed voor. Het is onzin.

- Wanneer er buiten de mens geen zin is betekent zoiets dat de mens alleen maar een chemisch proces is?

- Alles wat we met zekerheid over de mens kunnen zeggen wordt gezegd in natuurkundige, meetbare zin. De rest, wat daar bij komt - moraal, theologie, filosofie - is onzeker. De mensen weten dit ook eigenlijk wel. Ze weten best dat ze niet van zoveel betekenis zijn. Het ethische beeld dat de mens zichzelf maakt wordt iedere keer wanneer de omstandigheden dat eisen - en dat is vaak zo - doorbroken. De ethiek wordt ook de rug toegekeerd door de sadistische kant in de mens, die doelbewust zoekt naar het lijden.

[p. 77]

- Laten de moraal, theologie en filosofie onzeker zijn, de natuurkundige zekerheden groeien toch ook, zijn toch ook in beweging? Deze afspraken hebben toch ook een willekeur, waaraan alle vaste zekerheid ontbreekt?

- Jawel, maar we doen er toch iets concreets mee. Ziekten worden bestreden. De mens kan vliegen. Hij wordt ouder. Het blijkt dat de natuurkundige wijze van kijken naar de werkelijkheid zeer vruchtbaar is. Ja. De mens kan natuurkundige voorspellingen doen die uitkomen. Met die andere wetenschappen is dat niet zo. De vragen die zij stellen zijn eigenlijk zinledig, kunnen nooit beantwoord worden. De mens is slechts een buis in de stofwisseling. Hij eet en scheidt af, neemt van de aarde en geeft eraan terug, in een grote biologische kringloop. Dat is de onderbouw, het lichaam. Daarover kunnen we concreet praten, over het andere niet. Eigenlijk weet de Kerk dat ook wel, maar toch geeft ze voorschriften, als een medicus, maar met nog minder recht. Ze doet zeker over zaken die onzeker, niet concreet zijn.

- Wat is het ‘andere’, waarover we niet concreet kunnen zijn?

- Dat ‘andere’ bestaat uit waanideeën van de mens.

- Daarmee onkent u geestelijke waarden.

- Als er geestelijke waarden zouden zijn liggen die binnen het bereik van iedereen. Geestelijke waarden zijn universeel of niet. Dat moet je stellen. Daarmee is de onoplosbaarheid van het probleem aangetoond. Er is nog nooit een universele waarde geweest. Het is een illusie die altijd wordt nagejaagd. De islam, het communisme, de Kerken, ze jagen drogbeelden na. Wanneer de mens een geestelijke waarde uitdenkt moet hij die uitdragen voor iedereen; dat mislukt.

- Iets helemaal afmaken lukt de mens inderdaad niet. Maar dat betekent toch nog niet dat het door de mens nagestreefde geluk per ongeluk in het leven aanwezig is?

- Jawel. En wat is geluk dan nog? Het is een slapen zonder dromen. Alle andere geluksvormen zijn dubieus en doortrokken van pijn en verdriet. Bij volledig bewustzijn kun je trouwens nooit gelukkig zijn, dan denk je immers aan de toekomst en zulke gedachten houden rekening met gevaren.

[p. 78]

- Slapen en de dood liggen dicht bij elkaar. U plaatst het geluk in de slaap. Wat is volgens u dan de zin van de dood? Het volmaakte geluk bereiken?

- Bij oude mensen neemt het plezier in het leven af. Misschien sterft men uiteindelijk wel graag. Lijkt de vrees voor de dood niet een beetje op de angst die je hebt om in koud water te springen? Als je springt is er niets aan de hand. Zo is doodgaan ook niets. Voortleven daarentegen is misère. De christen praat over het paradijs na de dood. Waar ligt dat paradijs? Achter de sterren? Dat is ver weg hoor. De zielen zouden dan miljoenen jaren moeten trekken om aan te komen. Een hele reis hoor.

- U vertelt steeds dat er buiten de mens niets is. De mens is als het ware de maat van alle dingen. De rest is speculatie?

- Inderdaad.

- Is dat de reden waarom u met name de rooms-katholieke Kerk scherp aanvalt in sommige van uw werken?

- Mijn verzet tegen de rooms-katholieke Kerk is zo scherp omdat het een groot machtsinstituut is, dat ongestraft zinloze en gevaarlijke ideeën verspreidt.

- De Kerk wil primair uitzicht bieden aan de mens.

- Jawel. Natuurlijk. Dat is het minste gevaar. Maar de Kerk geeft de mens daarbij bindende voorschriften in de hand. Dat is leugen. Zoiets kan niet. Met name op seksueel gebied blijken die voorschriften ridicuul en een rem op het leven. Geboorteregeling door middel van de pil bijvoorbeeld, was een grote zonde. Nu treedt er verandering op. Stilaan worden de voorschriften, onder druk van de tijd, steeds gewijzigd. Wat eerst zonde was is het nu niet meer, enzovoort. Dat zijn toeren aan de trapeze, die ik niet kan bewonderen. Het is een vorm van verraad en dictatuur. Overigens ben ik tegen de kinderbijslag. Zoiets wordt nota bene gegeven in een land waar we stikken in de mensen. Aan deze verwerpelijke bevoorrechting heeft de kvp grote schuld.

- Uw verzet manifesteert zich ook op ander terrein. U bent tegen de Nederlandse pers, muze, democratie enzovoort. Waarom eigenlijk?

- De schrijver Hermans is tegen alle instellingen die zich baseren

[p. 79]

op geestelijke waarden om dan ‘anderen’ de wet te gaan lezen. Hij meent dat de taak van de schrijver is: relativering van verabsoluteringen. Of anders gezegd: Ik kan ‘getuigenis’ geven van de wereld die ik zie en die wereld is niet absoluut.

- En daarom heeft u lust tot schokken?

- Ik heb geen lust tot schokken. Nee. Nee. Ik zou net zo schrijven als ik nu doe wanneer ik die lust niet had.

- Is er vanuit de differentiëring van het absolute, vrede mogelijk?

- Ik beschouw mijzelf als een fantast, maar met argwaan tegenover wensdromen. Vrede voor de mens heb ik nooit waargenomen en daarom durf ik er ook niet over te schrijven.

- U verzet uzelf tegen absolute systemen omdat u kiest voor de weerloze mens in een wereld die niet verder reikt dan de grenzen van deze mens?

- Je kunt van de schrijver Hermans inderdaad zeggen dat de weerloosheid van de mens hem fascineert. Hij zou zelfs medelijden met Adolf Hitler kunnen hebben. Maar dat medelijden is niet meer nodig. Adolf is in de dood beter af met het noodlot dan zijn slachtoffers die nog leven. Want leven is misère. Ja, de weerloze mens fascineert. Aan de niet-weerlozen heb ik een hekel, vooral wanneer ze zich gepantserd hebben met leugens.

terug  begin  verder