terug  begin  verder
[p. 128]

12. Willem Frederik Hermans In gesprek met mijzelf

[Oorspronkelijk gepubliceerd in : Elseviers Weekblad, 27 mei 1967]

 

- Als eerste vraag van dit vraaggesprek, zou ik u willen vragen de vragen zelf te bedenken.

- Niets doe ik liever. Alle nog volgende vragen worden u door mij in de mond gelegd. Vraagt u maar waarom ik de mij voor Nooit meer slapen toegekende Vijverbergprijs aan ‘Eten voor India’ heb laten sturen.

- ???

- Ik had gehoopt dat de lezers van Nooit meer slapendit zelf wel hadden kunnen raden. Op pagina 153 van dat boek zegt iemand namelijk over de honger in India, dat Europese reizigers in dat land niets dan honger om zich heen zien, maar zelf gaan ze dineren in het Hilton Hotel. Ze zouden hun reisgeld, als ze werkelijk zoveel beter waren dan Hitler of Himmler, kunnen verdelen onder vierduizend hongerlijders. ‘Vierduizend hongerlijders zouden ieder een dag hun buik kunnen voleten. Het lijkt een druppel op een gloeiende plaat, maar een dag eten moet toch een onvergetelijk feest zijn voor iemand die zijn hele leven met een lege maag heeft rondgelopen.’ Zoals u ziet, luister ik soms naar mijn eigen romanfiguren.

- Hoe denkt u over de Nederlandse film?

- Er bestaan twee soorten Nederlandse speelfilms. De eerste soort is slecht, de tweede soort is mooi maar saai.

- Oorzaken?

- Een grote handicap is dat er hier geen commerciële produktie bestaat van films die wel slecht zijn door banaliteit van onderwerp en clichématige behandeling, maar overigens perfect qua compositie, spel, duidelijkheid, enz. Genre Rawhide, de Beverley Hillbillies, enz. enz. In Amerika, waar dat soort films aan de lopende band

[p. 129]

gemaakt wordt, weet men tenminste hoe een denkbeeld in bewegende foto's, dialoog en muziek gerealiseerd moet worden en dat moet je weten om iedere film te kunnen maken, ook de meest avantgardistische.

- Adriaan Ditvoorst heeft je novelle Paranoia verfilmd. Hoe denk je daar over?

- Hij heeft begrip voor de atmosfeer van mijn verhalen, daarom heb ik ingestemd met die verfilming. De fotografie van Jan de Bont is prachtig, de muziek van Marco Klein is heerlijk, het spel van Pamela Rose is bijna onbegrijpelijk goed, als je ziet hoe houterig en onovertuigend er in andere Nederlandse films wordt geacteerd. Een tekortkoming van de film lijkt me dat Ditvoorst op sommige plaatsen bijna alle dialoog heeft weggelaten, waardoor de acteurs erbij staan zonder tekst.

- Meer dialoog dus?

- Misschien, misschien niet. Een grote handicap in ons land is ook dat zo weinig mensen in staat zijn een dialoog op een overtuigende manier uit te spreken. Dus dan denk je, laat ze maar zo weinig mogelijk praten. In ieder geval is Ditvoorst's film heel mooi om te zien. En het is de meest morbide film ooit in Nederland vervaardigd.

- Nog meer bezwaren tegen Nederlandse films?

- Nederlanders denken ongaarne in symbolen. Daardoor deugt de constructie van Nederlandse films, toneelstukken en romans meestal niet en worden ze vervelend. De meest banale Amerikaanse cowboy-film is boeiend omdat de constructie goed is. De Nederlander, verstokt naturalist, puritein en estheet, denkt dat een film automatisch banaal wordt als je voor een goede constructie zorgt.

- Een lekker verhaaltje?

- Dacht ik het niet? Nee, er zit meer aan vast. Ik versta er onder: expositie, repetitie, dosering en ritme. Geen kunstenaar mag opzettelijk vraagtekens scheppen. Vraagtekens ontstaan wel automatisch, ook bij het helderste exposé, of beter: juist dan. Dat zijn de ware vraagtekens die het magische element in de kunst brengen, de spanning, de betovering. De rest is bedrog en verveling.

[p. 130]

- Heb je dit de filmmakers ooit gezegd?

- Menigmaal, maar sommigen luisteren liever naar buitenlandse beroemdheden die hun fabrieksgeheimen niet willen prijsgeven en daarom de goegemeente wijsmaken dat ze alles zo maar improviseren. Maar neem een film van Godard. Je moet wel heel naïef zijn om niet te voelen dat de beelden, de woorden, nauwkeurig zijn uitgekiend. Het is met die improvisatie als met de objets trouvés of ready mades. Marcel Duchamp kwam als een van de eersten te voorschijn met een objet trouvé. Het was een ijzeren rek om flessen op te laten uitdruipen. Waarom was dat verrassend? Omdat het weliswaar een banaal voorwerp was, maar toch niet algemeen bekend. De meeste mensen hadden nooit zo'n rek gezien, want je vindt dat alleen in de kelders van wijnhandelaars of apothekers. Voor wie niet weet wat het is, lijkt het op een middeleeuws martelwerktuig, met z'n ijzeren haken. Dit geldt voor alle ready mades: ze zijn geheimzinnig en toch banaal, ze zijn juist schokkend omdat ze, hoewel banaal, toch altijd over het hoofd gezien zijn. Maar niet alle banale voorwerpen zijn schokkend, de meeste alledaagse voorwerpen zijn maar al te goed bekend en er valt niets meer aan te vinden. Essentieel voor een objet trouvé is dat het aan zijn natuurlijke omgeving (zoals de wijnkelder) wordt ontrukt. Hetzelfde geldt voor spontane dialogen en voor improvisaties: ze moeten aan hun natuurlijke omgeving ontrukt zijn, anders is er niets aan te vinden, anders blijven het banale of stuntelige praatjes.

- Een merkwaardige filosofie. Komt dat soms allemaal uit Wittgenstein?

- De domste vraag die ik u in de mond heb gelegd. Antwoord: helemaal niet. Maar over Wittgenstein gesproken. Vier jaar geleden schreef ik een essay Wittgenstein's levensvorm. Door de meestal van weinig begrip getuigende reacties daarop, voelde ik me gedwongen Wittgenstein in de mode te schrijven, een veel elementairder beschouwing, overigens. Maar nu komt het onbegrip pas goed los. Het is eenvoudig verbazingwekkend wat voor soort mensen: meesters in de rechten, dominees, leden van de Hoge Raad enz. zich voor kundige filosofen durven te houden.

- (Glunderend) Een schandaal?

[p. 131]

- Och... Ik ben geen beroepsfilosoof. Ik heb mij met Wittgenstein beziggehouden, maar voel geen behoefte mij over de rest van de wijsbegeerte uit te spreken. Maar bij de beroepsfilosofen was dat anders. Toen ik over de hier vrijwel onbekende Wittgenstein begon, meenden ze dat het nodig was, dat zij er hals over kop ook over gingen meepraten, omdat ze beroepsfilosofen waren. Dat loopt natuurlijk op catastrofes uit. Ik was mijn handen in onschuld.

terug  begin  verder