terug  begin  verder
[p. 157]

14. Rein Bloem Schrijven vind ik alleen de moeite waard als je de ambitie hebt om iets te schrijven, dat nog niet eerder geschreven is

[Oorspronkelijk gepubliceerd in: Vrij Nederland, 8 maart 1969]

 

Ik ben er nooit op uit geweest een image te kweken van iemand die in de contramine is, dit ten eerste; ten tweede: je kunt er niet aan beginnen al het kwaad dat over je verteld wordt tegen te spreken; ten derde: de feiten liegen er niet om - zoals u weet is mijn Mandarijnen op zwavelzuur bij gedeelten al verschenen in 1955, toen in 1963 door mij als verzameling uitgegeven en in 1967 herdrukt. Alle mensen die feiten hadden kunnen vinden die onwaar zijn, hadden ampel gelegenheid om die fouten te signaleren en ik zou ze zeer zeker verbeterd hebben, want ik hecht eraan dat in dit boek niets anders staat dan wat waar is. Maar er zijn nooit serieuze aanmerkingen op het boek gemaakt, behalve door Weverbergh. In het laatste hoofdstuk van de herdruk heb ik mij gericht tegen Weverbergh: er blijft helemaal niets van over. En niet alleen ik vind dat, maar ook Fens - die aanvankelijk dacht dat Weverbergh met ernstige bezwaren gekomen was - ook Fens moest erkennen dat het allemaal onzin was.

Een ander voorbeeld: na mijn lezing De tekenen des tijds (later gepubliceerd in Raster) zei men dat het onrechtvaardig was om Bolland aan te vallen vanwege de ene kant van zijn werk waarin hij faalde en het ene boekje van Johan Huizinga, In de schaduwen van morgen, waarin hij zich van zijn slechtste en vaagste zijde liet kennen. Maar deze lezing pretendeerde helemaal niet een beeld te geven van Bolland en Huizinga. Het ging om de vraag: in hoeverre zijn cultuurfilosofen in staat om de tekenen des tijds te wichelen, om tot een enigszins betrouwbare kritiek op hun eigen tijd te komen en om een uitzicht op de toekomst te geven waarvan je achteraf denkt: ze hebben het wel een beetje gezien. Ik had daarvoor

[p. 158]

misschien ook Spengler, Ortega y Gasset en Toynbee kunnen nemen, maar ik heb Bolland en Huizinga genomen omdat het Hollandse schrijvers zijn. Ook had ik hedendaagse wichelaars kunnen nemen, Bouman, bijvoorbeeld of McLuhan, maar daar heb ik erg oppervlakkig kennis van genomen, er zijn nu eenmaal een heleboel boeken waarvan je al tevoren weet dat je het er niet mee eens bent. McLuhan - dat is een soort geraaskal, hier en daar wel een erg briljant geraaskal. De wijze waarop dat soort mensen denkt, dat is iets waarmee ik zo langzamerhand afgerekend heb, het is hopeloos, het biedt geen perspectief, die mensen zijn op een weg die tot niets produktiefs kan leiden. Nu kunt u zeggen: u kon van tevoren ook wel weten dat u het met Bolland en Huizinga niet eens zou zijn. Maar ik moet zeggen: die heb ik voor het eerst gelezen toen ik een jaar of achttien-negentien was en toen was ik daar vanzelfsprekend veel ontvankelijker voor. Jazeker - als ik over iets schrijf dan pik ik niet zomaar iets, dan is het altijd iets waar ik au fond erg lang mee bezig ben.

Bovendien: er zijn nogal wat mensen die het vanzelfsprekend vinden dat alles wat dertig of veertig jaar oud is, ook verouderd is, afgedaan, daar mag niet meer over gepraat worden; maar in andere landen is het heel normaal om je nog 's te bezinnen op ideeën van auteurs die niet tien of twintig jaar, maar honderd of tweehonderd jaar dood zijn. Men heeft het mij ook altijd verschrikkelijk kwalijk genomen dat ik mij nog wel eens heb afgevraagd: wat eigenlijk betekent Ter Braak? Dat was schoppen tegen een lijk en zo meer. Maar ik vind het verschrikkelijk dat bewonderaars van iemand als Ter Braak over die man denken in termen als lijk. Wat voor bewonderaars zijn dat? Ze moesten dolblij zijn dat er nog over hem gepraat wordt.

Wat nooit veroudert, dat zijn de toestanden en verschijnselen die in Nederland op een bijzondere manier vereerd worden. Er zijn hier nog steeds schrijvers, ik wil geen namen noemen, van wie gedacht wordt dat het gewichtige mensen zijn. Ik vind dat tragisch, omdat - als je eenmaal het gevoel hebt of doorzien hebt hoe weinig belangrijk de Nederlandse literatuur is en je wilt niet in de voet-

[p. 159]

angels en klemmen van die onbelangrijkheid vallen - dan moet je enorm uitkijken, voorzichtig en wantrouwig zijn. Als je in een bepaald land leeft, oefent de hele cultuur, het hele verleden, de hele omgeving van dat land een druk op je uit, waardoor we allemaal, hoe verschillend we ook zijn, toch Nederlandse schrijvers zijn, ik ben ook een Nederlandse schrijver.

En het helpt je niet of je op de manier van Du Perron in Parijs gaat wonen - in Parijs wonen, dat is al iets typisch Nederlands, de mislukte vlucht uit wat ze het provincialisme noemen. Ik ga in Parijs wonen en dan ontkom ik eraan - dat is onzin. Je moet niet proberen je eigen land te ontvluchten, maar als je het idee hebt dat het tot dusver allemaal erg provinciaal is geweest, dan moet je over je eigen land en je eigen ideeën, alles waar je mee geboren bent en alles wat je aangeleerd is, dan moet je daarover op zo'n manier proberen te schrijven dat het niet zo provinciaal is - dat is de enige manier om eraan te ontkomen.

U zult mij moeten toegeven: ik ben helemaal niet iemand die onwelwillend of vijandig tegenover Du Perron staat, ik heb een heel uitvoerig stuk over hem in Mandarijnen op zwavelzuur geschreven, maar ik heb er niets anders dan onzin op te horen gekregen, van: hij is alleen maar anti-Du Perron. Ten eerste was ik helemaal niet anti-Du Perron, ik houd alleen staande dat hij eigenlijk geen groot schrijver was. Het land van herkomst, dat heb ik zeven keer gelezen en het is een erg aardig boek, maar daarom is het nog geen echt groot boek. Schandaal in Hollandheb ik nooit herlezen. Dat speelt in de 18e eeuw en daarin worden bijvoorbeeld knechts domestieken genoemd, nou ja; een onbevleugeld boek. De man móest eigenlijk dankbaar geweest zijn dat die erfenis hem zogenaamd door de neus geboord is - dat heeft hem aan het enige boek van betekenis geholpen. En ook dat boek wordt niet meer gelezen en dat is begrijpelijk. Het boek heeft gewoon technische bezwaren, maar die kleven aan meer Nederlandse boeken omdat ze een veel te grote journalistieke kant hebben, dat ze als het ware rekenen op een bekendheid van de lezer met toestanden die actueel waren in de tijd dat het boek geschreven werd, maar tien jaar later is iedereen die vergeten.

[p. 160]

Het ideaal moet zijn om een boek te schrijven zo, dat iedere imbeciel het kan begrijpen, niet alleen nu, maar ook over tien of honderd jaar. Alles moet van de grond af worden opgebouwd, natuurlijk zonder met voetnoten of zo te gaan werken, het hoeft niet zo kinderachtig te worden dat iedereen zich rot verveelt. Maar Het land van herkomst is journalistiek - de toestanden worden niet in proportie gezien. Het Stavisky-schandaal en een beetje schieten op Place de la Concorde, terwijl dat goddomme altijd in Parijs gebeurt, in Berlijn gebeurt, in Mexico - heel gewoon en dat wordt in het boek zo ongeveer beschreven alsof de ondergang van de wereld was aangebroken; het was nogal een knullige geschiedenis zoals we allemaal weten.

Allerlei buitenlandse schrijvers hebben ook met dat milieu te maken gehad. Er zijn honderd of vijftig jaar geleden ook schrijvers geweest die uit de provincie kwamen, neem de Russische schrijvers. Ik weet niet of ze ooit bewust met dat probleem hebben gekampt. Maar als Dostojewski of Tolstoi op de manier geschreven hadden als Du Perron schreef, dan zou dat bargoens wezen. Die dorpstoestanden die Tolstoi of Gogol beschreef, waren zo beschreven dat ook een verre buitenlander begrijpt waar het over gaat.

Dan zijn er nog steeds mensen die denken dat de Nederlandse poëzie, als die alleen maar toegankelijk zou zijn voor het grote buitenland, dat iedereen daarvan zou zeggen: Nederland, dat is een heel gewichtig land op het gebied van de poëzie.

Ik zal u 's iets vertellen: als ik zou nemen het verzameld werk van Baudelaire of Apollinaire en ik vertaal dat zoals een schooljongen uit het Frans vertaalt, dus zonder te pogen het zogenaamd te herdichten of mooi te maken of wat dan ook - dan krijg je een tekst waarin nog tachtig procent van de poëtische kracht behouden is. Dat komt door de beeldspraak van die mensen, dat zo'n gedicht als het ware overloopt van zeer pregnante beeldspraak. En dat is iets wat in de Nederlandse poëzie zeer, zeer zeldzaam is. De Nederlandse poëzie is voornamelijk een woord-poëzie of het is gewoon heel erg banaal.

Ik kan nog een ander voorbeeld noemen. U weet misschien dat

[p. 161]

veel Engelse schrijvers vooral de gewoonte hebben om een boek te maken en daarvoor dan als titel een dichtregel of een fragment van een dichtregel kiezen. Ik heb wel eens gedacht: dat ga ik ook eens doen. Uiteraard ga ik dan geen Engels gedicht nemen - dat is typisch de Nederlandse schrijver die een Engels gedicht neemt of een Frans, die pikt wat van Edmond Wilson, van Apollinaire of van noem maar op, maar dat is natuurlijk zinloos. Ik moest dus een regel van een Nederlandse dichter hebben.

Dus ben ik gaan zoeken in die hele dikke bloemlezing van Victor van Vriesland. En als je dan die gedichten kritisch leest, hopend dat je kan zeggen: daar staat een combinatie van drie of vier woorden die pakkend is en mooi - dan vind je dat nergens, praktisch nergens. ‘De zee, de zee klotst voort’ - is dat een uitdrukking? Of ‘Een nieuwe lente en een nieuw geluid’ - dat heb ik drie of vier jaar geleden als reclametekst gezien in een Amerikaans blad dat het wel niet van Gorter zal hebben. Een nieuwe lente, een nieuwe broek. Nieuwe lente, nieuwe jurk - zo gaat het.

De enige dichter waarbij je het enigszins zou kunnen proberen is Lucebert, daar zou je bepaalde dingen in kunnen vinden die zo gek zijn dat ze pakken als titel van een boek.

Maar in ieder geval is het zo, dat die geweldig geprezen Nederlandse poëzie zelfbedrog moet zijn. Gaat u 's naar een boekwinkel en vraag naar de dichtwerken van onze grootste dichters die iedereen op school leert of op de universiteit, dat zijn de grote dichters. Vraag bij voorbeeld eens of je de verzamelde werken van Albert Verwey kunt kopen, de verzamelde werken van Kloos - nergens te koop.

Het is toch absurd dat een land grote dichters heeft die nooit meer herdrukt worden. En dat is niet de schuld van de uitgevers of de schuld van het publiek, maar dat is doodeenvoudig, omdat het geen erg belangrijke dichters zijn. Zelfs in Duitsland tussen 1914 en 1940, en ook nu weer, verschijnen de een na de ander de complete werken van schrijvers die honderd of tweehonderd jaar dood zijn. Het is geen probleem, daar niet en in Engeland niet. De verzamelde werken van Achim von Arnim zijn onlangs nog herdrukt in

[p. 162]

Duitsland. Dat is een derderangs romanticus, en als je die dan leest, waar moet je dan aan denken? Dan denk je bijvoorbeeld aan een historische roman van Vestdijk.

Van een geestelijk fond, dat in andere landen heel gewoon is, is bij ons geen sprake. Geen voorraad bijvoorbeeld van avonturenromans, van echte intrigeromans. Op school wordt al geleerd dat romans met een verhaaltje geen goede boeken zijn. Daarom krijg je ook zo ontzettend weinig Nederlandse verhalen die geschikt zouden zijn om te verfilmen. Dat wil zeggen dat het materiaal waarop een nationale filmindustrie zich zou kunnen baseren ontbreekt, wat veel belangrijker is dan het gebrek aan geld. In Engeland heb je een achttiende-eeuwse saaie roman als Tom Jones, maar je kunt hem verfilmen. En welk Nederlands boek kun je verfilmen? Geen één. Ik geloof dat mensen, in plaats van herrie maken over een boek als Mandarijnen op zwavelzuur, er wat van hadden moeten leren. Dat is mijn schoolmeestersbloed, ik heb me daarvoor nooit gegeneerd. Ik heb van een aantal mensen en verschijnselen heel precies gezegd waarom het niet goed is, maar gewerkt heeft het niet. De mensen die erin besproken worden, hebben het allemaal tot minister of professor gebracht. Iedereen zegt: wat een gemeen boek is dat, maar het heeft maatschappelijk gesproken alleen maar carrières bevorderd, niemand hoeft zich daarom te beklagen. Dat is trouwens weer zo typisch Nederlands: Du Perron maakte Dirk Coster af en wat gebeurde - Dirk Coster werd dr. honoris causa; Ter Braak kraakte Anton van Duinkerken en Anton van Duinkerken werd professor en werd onlangs met grote eer begraven.

Het helpt allemaal niets. Je bent in Nederland een reputatie of je bent het niet, maar dan moet je wel een enorme lul wezen, want al kun je helemaal niet schrijven, je kunt nog altijd met je ellebogen een reputatie opbouwen.

Ik denk trouwens dat dit aan alle kleine landen gebonden is. Ik ben niet een van die mensen, ook in Nederland erg talrijk, die denken dat in Engeland of Frankrijk alles zoveel beter is en in het algemeen geloof ik dat wij toch helemaal niet zo'n gek figuur slaan. Dat kan ik ook wel een klein beetje statistisch aantonen, omdat in Neder-

[p. 163]

land bijvoorbeeld erg veel gelezen wordt, relatief veel meer dan in Frankrijk, waar iedereen buiten Parijs analfabeet is. Maar Nederland - en dat is voor de kunst erg naar - is eigenlijk veel te goeiig. Als hier een slechte toneelvoorstelling is, dan zul je nooit hebben dat de mensen met eieren gaan gooien, dan wordt er toch wel geklapt. Daarom maakt het toneel het zich ook te gemakkelijk en is het een opgeklopte zaak. Als u een winkeltje had - en het is toch een typisch Nederlandse zaak om een winkeltje te hebben - dan zou u twee dingen doen: goedkoper verkopen en dingen die een ander niet heeft verkopen, anders gaat u failliet. Die mentaliteit mist de Nederlandse kunstenaar, dingen doen die een ander niet doet. Het is toch absurd dat een stuk als Jan Pietersz. Coen van Slauerhoff nooit door het beroepstoneel is opgevoerd. Men kiest de gemakkelijkste weg, kiest iets in het buitenland dat modern gevonden wordt en imiteert dat. Maar Nederlandse stukken, nee. Ik heb nu al weer maanden niets gehoord over mijn toneelstuk King Kong. Eigenlijk is het niet King Kong, die centraal staat in het stuk, het is de kwestie alweer van de betrouwbaarheid van het beeld van historische gebeurtenissen dat wij hebben. De geschiedenis van de verrader King Kong is een episode uit de geschiedenis van de Duitse bezetting. Maar dit detail is door de Parlementaire Enquête Commissie tot in details uitgezocht. In mijn stuk heb ik in hoofdzaak niets anders gedaan dan die verklaringen naast elkaar zetten, meestal letterlijk. En dan is de conclusie: niks, totaal niks. Dit is een lievelingsthese van me: alle dingen die de geschiedenis overlevert, zijn niets anders dan grote generaliseringen. Zo gauw je je in details gaat verdiepen dan stuit je op gebrek aan bewijs, alleen maar gebrek aan documenten, tegenstrijdige uitspraken, enz.

Het stuk is heel simpel opgelost: gemonteerd rond het idee van een zoontje dat aan zijn vader vraagt wat nu de historische waarheid is en dan zegt die vader: de historische waarheid is heel gewichtig, zonder zo'n idee kun je in een democratie niet leven, je moet die historische waarheid weten. En wat die historische waarheid is, krijgen we dan te horen. Aan het slot zegt het zoontje: waar is die historische waarheid nou, pa?

[p. 164]

Tijdens het stuk heeft het beeld van Clio, de muze van de geschiedenis, op het toneel gestaan. Dan komen er twee kereltjes op, pakken Clio in en brengen haar naar het museum. Waar gaat Clio heen? Die gaat naar het museum.

Er is misschien niet zoveel actie in het stuk, maar de dingen die die mensen vertellen zijn zo verschrikkelijk, dat het volgens mij wel boeiend moet zijn. Ikzelf vind de rapporten van de Parlementaire Enquête Commissie in ieder geval een onuitputtelijke bron van opwinding. Al die tegenstrijdige verhoren waar totaal niets mee wordt gedaan. Je hebt het materiaal voor een kolossale reeks processen die je zou moeten gaan voeren. Maar die mensen zijn misschien wel allemaal te goeder trouw geweest met hun verklaringen. Ze hebben in ieder geval niets strafbaars gedaan. De historici die het zouden moeten gaan bestuderen - wat volgens mij nog nooit gebeurd is - zouden, als zij tenminste geen persoonlijk vooroordeel in het spel zouden brengen, nooit tot een conclusie komen en dat vind ik het beklemmende van de zaak. Jaar in jaar uit worden er proefschriften en historische studies geschreven en het slaat allemaal nergens op. Zo zie je dat als je over een heel klein feit zo uitvoerig mogelijke verklaringen bezit, je er absoluut geen enkele conclusie op kunt baseren.

Met de moord op Kennedy is iets dergelijks aan de hand, maar daar zoekt de justitie nog naar een dader, terwijl daar bij de kwestie King Kong geen sprake van was: toen het onderzoek begon, was King Kong al dood, de beklaagde was dood. Het is ontzettend, maar ik geloof dat het hele leven zo in elkaar zit, dat je van een alledaagse gebeurtenis - twee mensen zitten met elkaar te praten, achteraf vraagt Jan aan hem: wat heeft hij gezegd en die ander vraagt aan mij: wat heeft hij gezegd - twee totaal verschillende verhalen krijgt. Dat is voor mij het hele grote punt, in het dagelijkse leven en ook datgene waar ik van wil getuigen, als ik iets schrijf, steeds weer.

Men zegt wel eens dat zo'n thematiek eenzijdig of beperkt is. Maar ten eerste is dat geen diskwalificatie. Het handelingsverloop blijft wel hetzelfde, maar waar kan je dat niet over zeggen, de tra-

[p. 165]

gedies van Sofokles of Euripides zijn ook allemaal tragisch. Ten tweede hou ik er geen literair warenhuis op na, ik vind dat zinloos. Ik heb eens een interview met een Nederlandse schrijver gehoord over de Waalse radio en hij antwoordde in het Frans. Dat was natuurlijk een handicap, maar toen liet hij een opsomming horen van wat hij allemaal geschreven had; dat klonk waarlijk absurd: ik heb realistische romans geschreven, autobiografische romans, historische romans, Ierse romans, toekomstromans, enfin zo ging het nog een tijdje door. Zoiets is helemaal mijn ambitie niet, helemaal niet. U moet zich voorstellen: de hele wereld zit vol romans, miljoenen, miljarden. Als je in een beetje bibliotheek komt, dan hebben ze er acht miljoen romans in de kelder. Er zijn al bijna driehonderd jaar romans geschreven en voor die tijd een heleboel dingen die geen romans waren, maar wel literatuur. Het is al haast niet meer belangrijk, het is al haast onmogelijk geworden, objectief gezien misschien wel helemaal onmogelijk, om iets te schrijven wat nog niet eerder gedaan is. Toch vind ik schrijven alleen maar de moeite waard als je de ambitie hebt om iets te schrijven dat nog niet eerder geschreven is - goddank vergeten de mensen gauw en ze lezen ook niet alles. Dat zijn de gaatjes in het net waar je nog doorheen glipt, maar het is niet iets waar je op moet gaan rekenen. Je moet de hoop en de ambitie hebben en dat kun je alleen halen uit jezelf. Dat kun je niet halen door een boek over de geschiedenis van Troje te lezen en daar dan een roman uit te brouwen. Wel misschien als je daar een heel bijzondere relatie mee hebt, als je met Helena naar bed geweest bent zoals Roland Holst, maar dat is iets anders - ik ben niet met Helena naar bed geweest.

Ik begrijp ook niet dat de mensen van een auteur gaan verwachten dat hij telkens iets totaal anders doet, zo van: hij kon zich niet vernieuwen. Het is natuurlijk vreselijk als iemand zich letterlijk gaat herhalen en dan in mindere vormen, maar het zou heel mooi zijn als iemand een bundel novellen zou publiceren en hij zou het dan zo doen: een novelle schrijven, dan opgesloten worden en een week later die novelle opnieuw schrijven. Ik zou tien verschillende novellen schrijven op hetzelfde thema. Sinds Moedwil en misverstand

[p. 166]

zijn eigenlijk mijn verhalen vervolgen van elkaar. Maar dat is toch heel normaal. De mensen stellen aan een schrijver soms de meest gekke eisen, die ze aan niemand anders stellen. Men verwacht toch van een geleerde die zich met atoomkernen bezighoudt niet dat hij nou maar 's een nieuw geneesmiddel tegen de tbc moet uitvinden. En waarom zou je van techniek moeten veranderen? Waarom zou je bij voorbeeld moeten afleren je intrige centraal te stellen en alle dingen daarop af te stemmen? Een van de grote ongelukken van de meeste Nederlandse romanciers is dat ze er ook niet net zo over denken als ik. Ik zeg dat niet omdat ik zo graag eigenwijs wil zijn, maar omdat ik het heel normaal vind om er zo over te denken. De meeste Nederlandse romans struikelen omdat er mededelingen in worden gedaan die niet ter zake doen. En als je dan een auteur zou vragen: waarom heb je dat erin vermeld, dan zou het antwoord zijn: maar het is toch zo in de werkelijkheid? Het zet absoluut geen zoden aan de dijk of iets zo is of niet. Alles in een roman telt alleen mee, als het in verband geplaatst wordt. Als ik zeg dat iemand een grote puist op zijn neus heeft, dan moet dat een verband hebben. Of die puist moet resoneren of het moet zo zijn dat die puist vermeld wordt op een moment dat je helemaal niet gedacht zou hebben dat die man een puist heeft. Ik vind het iets ongelofelijks dat veel Nederlandse lezers of juist critici alle mogelijke dingen in Nederlandse romans slikken die ze in buitenlandse romans nooit zouden slikken. Wat doet de Nederlander? De Nederlander zet zijn Mulisch in zijn kast, maar als hij wat gaat lezen dan leest hij Nabokov of Chandler of Tolkien. Echt belangstelling voor Nederlandse schrijvers is er niet. Nederlanders hebben ook een neiging om graag veel bezig te zijn met een auteur die ze au fond minachten. En het gekke is dan, dat zo'n auteur er naar toeleeft om geminacht te worden. Van het Reve bijvoorbeeld. Iedereen schrijft zich bont en blauw over Van het Reve, hoe interessant hij is, maar eigenlijk vinden ze hem een clown, en hij is ook een clown, en hij weet dat hij zich als een clown gedraagt.

Terwijl hij aanvankelijk in de wieg gelegd was om een echt serieuze auteur te worden. Je hoort wel eens over een authentiek me-

[p. 167]

dium dat zijn gaven verliest - dan blijft hij nog een tijdje medium met allerlei grove trucs.

Dat in-verband-schrijven is helemaal niet iets ingewikkelds - het is gewoon veel leuker om te doen. Ik plan dat niet eens, het komt als een golf van gevolgtrekkingen over je. Dat is niet eens een kwestie van je vak - dat is een kwestie van groot genot. Als ik voel dat ik een bepaalde passage die ik geslaagd vind, nog geslaagder kan maken door bijvoorbeeld twintig pagina's eerder een passage te plaatsen die ideëel gezien er op rijmt; niet het kinderachtige rijm van Haanstra, van een man die trompet speelt en een ander die op een tafel zit te trommelen - maar rijmt via een omweg, twee dingen die, laat ik zeggen pas in het onderbewuste van de lezer contact maken, geen oppervlakte-contact.

Een tijdje terug had ik het nog met iemand over het verhaal Die Verwandlung van Kafka, een van de torenhoge modellen van hoe een novelle verloopt. De geweldige, meedogenloze logica die erin zit, zo'n man die in het begin in een ongedierte verandert en die eindigt om als een luis in de vuilnisbak te worden gegooid als hij dood is. Dat is het einde van een gewone luis nietwaar, dat is consequent doorgedacht.

Ik onderschrijf volledig het principe van Ockham: ‘entia non sunt multiplicanda sine necessitate’. Dat is het heel simpele geheim van alle literatuur.

Hoewel schrijven me dag en nacht bezig houdt, vind ik het toch geen serieus vak om over te praten als broodwinning. Dat heb ik ook zo tegen op Van het Reve, dat gezeur over schrijven als broodwinning. Musicus of acteur, vind ik veel meer een echt beroep dan schrijver. Dat brengt een zekere routine met zich mee: je speelt vier of vijf keer in de week voor vijftig gulden. Maar schrijven, terwijl alles in de lucht hangt en je altijd maar moet afwachten of je een idee te binnen wil schieten dat belangrijk genoeg is om een boek op te baseren, dat is geen broodwinning. En als je daar een broodwinning van maakt, dan komt het erop neer dat er weer een boek geschreven moet worden, is er geen goed idee, dan maar een slecht idee.

[p. 168]

Mijn vak is dus dat van fysisch geograaf aan de universiteit van Groningen. Ook aan het universitaire bedrijf zijn bezwaren verbonden, al is het mij niet duidelijk waarom die studenten zo'n herrie maken.

Ik heb de indruk dat de studenten eigenlijk helemaal niet weten wat er precies moet gebeuren. Een van de dingen die onrechtvaardig worden gevonden, is de manier waarop examens worden afgenomen. Maar ik zit al jaren in een commissie die examens afneemt; van zo'n examen wordt een protocol gemaakt en in dat protocol wordt ook altijd vermeld of er wel of geen toehoorders zijn. En ik bezweer u: er is in al die tien jaar nog nooit één ander protocol geschreven dan een waarin stond: geen toehoorders. Als de studenten willen praten over hoe examens worden afgenomen - ze hebben er nooit enige belangstelling voor gehad; er is niemand ooit komen luisteren.

Als ik het voor het zeggen had om de universiteit te reorganiseren, dan zou er heel veel veranderen, maar zo ontzettend veel dat de meeste van de studenten die nu met spandoeken over straat lopen, er dan helemaal niet meer aan te pas zouden komen.

Niet lang geleden heeft een professor Heyn in Delft een zeer vergaand idee geopperd, waarin hij zegt dat de universiteiten eigenlijk helemaal uiteen zouden moeten vallen. De universiteit bestaat eigenlijk al niet meer, dat is een achterhaald begrip. Wat nodig zou zijn om te doen, zeker in een klein land als het onze, dat is het hele hoger onderwijs faculteitsgewijs, zelfs subfaculteitsgewijs te organiseren. Alle instituten voor de Nederlandse Letteren onder één beheer en met één administratie. Het uitlenen van een wetenschapsman van de ene universiteit aan de andere zou dan ook heel wat makkelijker verlopen dan nu het geval is.

Dan wat de werkgroepen en projecten betreft. Dat is het leuke bij al dat soort plannen - die worden meestal geopperd door mensen, die als ze uitgevoerd zouden worden, daar als eerste de dupe van zouden worden. Want het soort universiteit waar deze mensen over praten en waar in principe geen enkel bezwaar tegen is, daar zijn in Nederland maar acht of negen studenten begaafd genoeg

[p. 169]

voor. En de mensen die zo begaafd zijn, kunnen het ook wel klaarspelen op die laten we zeggen rottige universiteiten die er nu zijn. Het zou mogelijk zijn om naast de universiteit een soort superuniversiteit te stichten voor de allerbegaafdsten, maar dat is een weinig democratisch idee, waar de herrieschoppers het wel niet eens mee zouden wezen.

Ook de miskenning van het feit dat de universiteit in bepaalde gevallen echt niet meer is dan een beter soort gymnasium of hbs, waarop mensen komen om een vak te leren waarmee ze later hun boterham moeten verdienen.

Ik vind het een soort zelfbedrog om te denken dat het aan de universiteit ligt, als al die mensen niet tot werkelijke wetenschapsbeoefenaars zullen worden gevormd.

Bovendien is de wetenschap in essentie niet democratisch. Iemand die er het talent niet toe heeft, die zal het ook niet krijgen. Dat geldt voor de wetenschap, dat geldt voor de literatuur. De mensen die zich daar tegen verzetten zijn in naam democraten, maar in feite kijken ze er tegen op.

terug  begin  verder