terug  begin  verder
[p. 223]

19. Ischa Meijer ‘Het enige geluk is geluk in slavernij’

[Oorspronkelijk gepubliceerd in: hp-magazine, 28 oktober 1970]

 

Het hieronder afgedrukte gesprek met Willem Frederik Hermans is niet door de geïnterviewde gelezen, gecorrigeerd of geautoriseerd. De uitdrukkelijke afspraak luidt: alles wat naar aanleiding van het gesprek (donderdagmiddag 22 oktober ten huize van de schrijver te Haren Gr.) genoteerd en gepubliceerd wordt komt voor rekening van de interviewer.

Hermans maakte, in tegenstelling tot de vorige keer dat de verslaggever hem bezocht (ongeveer 9maanden geleden), een zeer ontspannen en vrolijke indruk: We maken er een aardig interview van, we gaan nou es niemand beledigen. Nu de schrijver hard bezig is aan een nieuwe roman heeft hij geen tijd voor pessimistische buien.

Het interview duurde tweeëneenhalf uur en werd door middel van een tape-recorder geregistreerd.

 

- Meneer Hermans, er komen deze maand vier boeken van u uit. Reden voor een interview. Zoudt u over elk van deze publikaties iets willen zeggen?

- Als u iets specifieks te vragen hebt wil ik daar best op antwoorden. Maar over een boek waar ik aan bezig ben, daar zeg ik nooit iets over en over een boek dat ik al geschreven heb, waarom zou ik daar nou nog wat over zeggen?

- In uw bundel Van Wittgenstein tot Weinreb beoefent u het essayistische genre. Laten we het daarover hebben.

- De naam essay dekt volgens mij drie soorten stukken. In de eerste plaats het essay geschreven als esseej; dat is het essay dat vooral in de tijd van Forum druk beoefend werd en erg belangrijk werd gevonden: een stuk dat eigenlijk uitsluitend bestaat uit het navertellen van wat de betreffende auteur bij een ander gelezen heeft met een

[p. 224]

eigen saus daaroverheen. Een typisch essayist van dat soort is Menno ter Braak. Ik moet zeggen (menselijke zwakten zijn ook mij niet vreemd): dat soort esseej heb ik ook wel eens beoefend (in Het sadistische universumhet stuk over Sade) - ik vond het wel aardig om dat te doen, toen ik dat stuk schreef was Sade helemaal niemand in Nederland, daarom vergeef ik mezelf dat ik dat gedaan heb.

Het tweede soort essay zou je kunnen noemen: meer een soort studie. Mijn laatste bundel Van Wittgenstein tot Weinreb bestaat voor een groot deel uit dergelijke studies. Bijvoorbeeld: in mijn stuk over Wittgenstein staan dingen die nergens, ook in het buitenland niet, gepubliceerd zijn; ik heb 't zelf uitgeplozen, zelf ongepubliceerde brieven opgescharreld, een paar keer naar Wenen geweest om met z'n familie te praten, het huis te bekijken dat hij daar gebouwd heeft. Ter Braak en Du Perron hebben dat nooit gedaan. Hoewel, Du Perron wel, die heeft dergelijke stukken over Multatuli geschreven.

Dan heb je een derde soort essay: de beschrijving van een waargenomen werkelijkheid en dat dan op een enigszins satirieke manier. Een divagatie, een uitweiding, noemden ze dat vroeger. Dat vind ik zelf een erg vermakelijk genre. Een grootmeester op dat gebied is Swift geweest, die heeft een essay geschreven: Raadgevingen aan huisbedienden, een onderwerp dat te gek is voor een studie maar waarin je veel zijdelingse kritiek kwijt kunt - dat zijn dingen die ik met erg veel genoegen schrijf, hoewel ik het essaygenre op zichzelf niet al te hoog aansla. Het esseej zal altijd weer verbeterd kunnen worden, over vijftig jaar zal er wel iemand zijn die een nog betere studie over Wittgenstein schrijft; nee, ik sla het genre niet zo hoog aan als dat van de roman. De roman kan niet verbeterd worden, bestaat, is een entiteit.

- Nu komt de derde, uiteindelijke druk van Mandarijnen op zwavelzuur(aangekondigd als ‘Het boek waardoor schrijvers spoorloos verdwijnen’) op de markt - hoe zou u dat genre typeren?

- Dat valt helemaal onder de literaire kritiek. Nee, geen essayistisch werk: een strijdschrift.

- Waarom sluit u het nu af?

[p. 225]

- Ik heb nu wel andere dingen te doen. Het is ook niet meer geloofwaardig - wanneer iemand al zo lang schrijft als ik - ik schrijf al vanaf mijn vijftiende - dat is dan vijfendertig jaar... de ene generatie wordt opgevolgd door de andere generatie van Mandarijnen, de ene oogst van rotte appels wordt opgevolgd door de andere oogst van rotte appels, als je de ene oogst beschreven hebt, heb je de volgende ook beschreven. Daar moet je in berusten. Ik ga toch nu niet expres een aantal jongere auteurs lezen om daar, met vooropgezette mening, polemische stukken tegen te schrijven. Die oorspronkelijke Mandarijnen-generatie, dat waren mensen die indertijd de machthebbers waren, die mij ook in de weg zaten. Valse goden, vermomde barricades die ik moest opruimen.

- Onder wie Ter Braak en Du Perron.

- Dat wordt dikwijls gedacht: dat ik anti Ter Braak en Du Perron ben. Dat ben ik niet; die mensen staan in hun periode en die waren toen iets. Maar waar ik geweldig tegen was, was dat die mensen zo'n schim achtergelaten hebben (wat ze zelf natuurlijk niet konden helpen, natuurlijk)... epigonen die na de oorlog opkwamen en uit naam van die schimmen tegen allerlei verschijnselen gingen werken waar ik voor was.

- U zegt: ik schrijf al vanaf m'n vijftiende. Kunt u zich herinneren vanuit wat voor soort gemoedsgesteldheid u toen bent gaan schrijven?

- Vanuit dezelfde als nu nog.

- Wat voor soort gevoel is dat dan?

- Een misantropische gemoedsgesteldheid, zou ik zeggen. Ik schreef toen al bittere verhalen.

- Zoals Uitvinder.

- Ja. Dat is mijn oudste gepubliceerde verhaal, geschreven toen ik 17 was. Dat is merkwaardig, hè, dat is met mijn andere boeken ook zo geweest (tenminste vroeger) dat 't zo lang duurde voor het gepubliceerd kon worden. Uitvinder is in de herfst van '38 geschreven en pas in het voorjaar van '40 gepubliceerd.

- Wat voor kind was u?

- Een niet erg gelukkig kind. Waarom? Tja, dat kwam uit huiselijke omstandigheden voort. Mijn ouders waren, om te beginnen,

[p. 226]

strakke mensen. De ouders die iedereen heeft, ha! Ze waren erg veel ouder dan hun kinderen. Toen ik geboren werd was mijn moeder al 38, mijn vader 42, 43. Mijn moeder was al jong grijs, ik had een zuster die drie jaar ouder was en die, omdat ze de oudste was minder opstandig was dan ik. Dus ik had weinig gevoel voor solidariteit.

- Terwijl ze toch wel veel van u hield, kreeg ik de indruk uit notities in uw Fotobiografie. Beschermende gevoelens.

- Beschermende gevoelens, ja, maar wat noem je beschermende gevoelens. Zoals een oppasser in Artis op de apen past, huh, huh... En dan kwam daarbij: ik was verschrikkelijk geremd, ik kon met de jongetjes op school slecht opschieten, de andere jongetjes vonden mij maar een raar jongetje, ik werd gepest op de lagere school.

- O ja, had u soms een bijnaam?

- Stijve Jezus, haha! Ik kwam met allerlei scheldwoorden thuis die ik niet kende, ik was een paar dagen op school, toen ving ik al het woord klerelijer op, daar heb ik dagen over lopen te piekeren, wat dat nou wel was, of 't aan m'n kleren lag of zo. Hoe ik me vermaakte? Zonder vriendjes? Ik vermaakte me niet. 't Was ruzie, vechten, huilen. En boeken lezen, natuurlijk.

- Uit uw Fotobiografie heb ik begrepen dat uw zuster vermoord werd, wat voor gevoel gaf dat? Verdriet? Triomf? In de situatie waarin u toen verkeerde.

- Allebei, een vreemde mengeling. Op de een of andere manier blijft 't je zuster met wie je nauw opeengedrongen opgegroeid bent, maar aan de andere kant was 't een soort geestelijk obstakel voor mij, ze werd mij steeds ten voorbeeld gesteld. Ze was veel gezeglijker dan ik, veel knapper op school... ik ben zelf een jaar op school, op het gymnasium in de derde klas, blijven zitten. Omdat ik me zo ongelukkig voelde, ik had helemaal geen zin meer om te leren, ik kon m'n hoofd er niet bij houden van de ellende.

Ik ben eigenlijk gaan schrijven toen ik was blijven zitten, toen had ik het gevoel dat ik dan toch tot iets onalledaags was voorbestemd. Toen ik in die derde klas zat kreeg ik in ieder geval de zekerheid, nou, zekerheid, in ieder geval de illusie dat het schrijven was, daar-

[p. 227]

mee iets in handen had wat anderen niet konden. Toen was 't ook meteen gedaan met de slechte schoolresultaten.

- Kinderen schrijven meestal gedichten.

- In de eerste klas had ik al 'ns een stuk over midwinterblazen geschreven. Toen, in de derde klas, waren we al aan de Tachtigers toe, aan Perk. De leraar vertelde dat sonnetten schrijven wel het moeilijkste was dat er zowat bestond. Ik heb 't toen thuis geprobeerd. 't Lukte me in een kwartier een goedlopend sonnet te schrijven, dat gaf me wel een hart onder de riem, ja.

- 't Schrijven werkte dus wel degelijk bevrijdend, toen.

- Ja, 't gevoel dat je wat kon.

- Aan de ene kant geldt dus ook hier weer de gulden stelregel: ‘An unhappy childhood is a writer's goldmine...’

- Niet door mij opgediept hoor, door Van het Reve...

- Goed, maar de stelregel bestáát - u heeft kennelijk een ongelukkige jeugd gehad en u zegt: ik bevrijdde me door te schrijven. Aan de andere kant heeft u eens met klem beweerd dat schrijven voor u betekende: je juist d'r in schrijven.

- ...tja, maar een jongetje van vijftien...

- U vertelde zojuist dat u nog steeds vanuit dezelfde gemoedsgesteldheid als van dat 15-jarige jongetje schrijft.

- Ik heb het gevoel dat in dat jongetje van 15, 16, 17 jaar de kernen werden gevormd die nog steeds bestaan.

- Wat waren die kernen bij u?

- ...

- Wat las u dan, toen?

- Nietzsche las ik, Multatuli. Ik bedoel dan toch: dat soort mentaliteit, ik las niet Tagore. De bijbel, Het Nieuwe Testament, dat las ik niet. Kafka las ik wel. Toen ik 17 was heb ik op school een voordracht over Der Prozess gehouden. Dat werd, geloof ik, geen succes. De lerares Duits had er nog nooit van gehoord.

- Maar wat zijn dan die essentialia die door die 35 jaar heen gebleven zijn?

- De angst om bedrogen te worden, een groot gevoel voor ontnuchtering, afkeer van nonsens, hè.

[p. 228]

- U noemt als eerste essentiale: de angst om bedrogen te worden.

- Ja, die angst tergt mij, ja.

- Later ontaardt die angst dan in de term ‘paranoia’. U zegt ergens: ik ben bewust emotioneel, bewust partijdig, bewust paranoied.

- Ja, de meeste mensen houden hun paranoia voor de waarheid. Ik heb 'ns een stuk gelezen van iemand die schreef dat ze dag en nacht wakker lag van Vietnam. Zoiets wordt een soort paranoia. Het is natuurlijk wel verschrikkelijk wat er in Vietnam gebeurt, maar waarom zou je nou juist van Vietnam wakker gaan liggen? Er zijn wel 200 of 300 dingen op de wereld die even erg zijn als Vietnam. Dat is paranoia.

- Wat is uw paranoia dan?

- Ik heb geen paranoia, ik lig nergens wakker van. Alleen als ik aan iets werk slaap ik slecht want dan moet ik er steeds aan denken.

- Maar u zegt: ik ben bewust paranoied.

- Ja, natuurlijk. Omdat iemand die niet bewust paranoied is, die gaat echt het gekkenhuis in, die kan niet objectiveren, die kan er geen roman over schrijven.

- U zegt: ik ben bewust partijdig.

- Als ik ergens partijdig voor ben dan weet ik wel dat dat meestal niet de moeite waard is om partijdig voor te zijn. Iemand kiest partij uit bepaalde persoonlijke, psychische behoeften. Maar objectief is het van geen waarde.

- U noemt in uw esseejs vaak Freud.

- Toen ik 15, 16 was las ik een vertaling van Nico van Suchtelen van De psychologie van het dagelijkse leven. Dat maakte een verbazende indruk op me, ik vond het zo slim.

- U voelde zich in die tijd ongelukkig. Beklemd. Hoe heeft u zich daarvan kunnen bevrijden. Heeft u nooit de behoefte gehad om naar een psychiater te gaan?

- Nee, een schrijver is zijn eigen psychiater. Dat dacht Freud zelf ook. Het is een van zijn meest aangevochten ideeën. Maar die ontdekking toen ik 15 was dat als je een glas water uit je handen liet vallen, dat dat geen toeval hoefde te zijn. De Fehlleistung. Het woord al! Leistung, leisten, iets presteren.

[p. 229]

- In een essay (esseej) dat u vooraf laat gaan aan uw toneelspel De psychologische test wijdt u een beschouwing juist aan het toeval. Daarin ‘benoemt’ u het toeval zelfs, het toeval waardoor iemand geniaal annex begaafd is op een bepaald gebied. Het ‘blote toeval’. Het toeval gaat daarna ook een enorme plaats in uw werk innemen: de Leica (in De donkere kamer), de meteoorsteen (in Nooit meer slapen).

- Nou, ik geloof niet dat het toeval zo'n geweldige rol in mijn werk speelt. Het is juist allemaal géén toeval. Maar het is wel zo: de hoofdpersoon van De psychologische test zou door een bepaald toeval gered hebben kunnen worden; zo gebeurt dat in de geschiedenis, zo gebeurt dat...

Wat mij geweldig obsedeert, nou ja interesseert, in de menselijke cultuur: we kunnen nu wel gaan praten over de techniek die zich ontwikkeld heeft in de loop van duizenden jaren. Het vuur, het wiel. Toen is er weer eeuwenlang niets gebeurd (sommige volksstammen hebben nooit het wiel uitgevonden) - maar dan zie je plastics en atoomsplitsing: allemaal dingen die op wetenschap van eeuwen berusten, die zich uitgebreid hebben als een soort woekergewas, het een is uit het andere voortgekomen; de uitvinding om straalvliegtuigen te bouwen is al van Leonardo da Vinci maar hij kon het niet, eenvoudigweg omdat hij de materialen niet had. Die waren toen eenvoudigweg nog niet uitgevonden.

Maar er zijn andere dingen in de menselijke beschaving die wel in het jaar 0 of 3000 jaar vóór 0 ontdekt hadden kunnen worden en die tóch niet ontdekt zijn. Dat vind ik zo'n raadsel. Als voorbeeld kun je noemen: de niet-Euclydische meetkunde. Dat is pas begin vorige eeuw ontdekt, maar dat had iedereen kunnen doen met potlood en papiertje. Hoe komt dat? Hoe is dat mogelijk? Dat is zeer raadselachtig. En het is wezenlijk voor iedereen die zich afvraagt: wat gaan we doen met de menselijke beschaving, met deze aardbol. Waarom vinden de Eskimo's niks uit terwijl ze niet dommer zijn dan wij. Waarom had China duizenden jaren geleden al zo'n grote beschaving en is hun beschaving van nu geheel uit het Westen afkomstig? Dat zijn benauwende problemen.

- Problemen die met toeval en chaos te maken hebben.

[p. 230]

- Ja. Maar ook: problemen van beleid. Er zijn veel mensen, geloof ik, die bang zijn voor zoiets als het rommelen in de universiteit. Laten we nu eens aannemen dat de universiteiten nou werkelijk de kernen zijn waar de westelijke beschaving gemaakt wordt. Dat is enige honderden jaren zo voort blijven sukkelen; al bij elkaar is er toch wat uit voortgekomen. Nu ga je daar wat in rommelen. Wat is er dan aan de hand? Is er dan een kans dat we blijven stagneren of dat we juist beter gaan? 't Is een groot probleem. Wat moeten we nou gaan doen?

Ik heb wel 'ns opinies gehoord, mensen die zeggen van: de eenheid van wetenschap die gesymboliseerd werd door die eenheid van die universiteit, nietwaar, de universiteit als een soort levende encyclopedie, als een boek van levende mensen waar alles in staat. Dat idee is verouderd, niemand kan nog in z'n kleine brein bevatten wat er in de loop van de eeuwen bedacht en uitgevonden en ontdekt is. Dus die eenheid, die universaliteit van de universiteit is een volstrekte illusie geworden, een soort Mandarijnen-republiek van mensen die allemaal in een soort geheimtaal praten, iedereen heeft z'n eigen vaktaal.

En inspraak, daar is natuurlijk helemaal geen sprake van. Wat wilt u nu? Dat iemand die zich 20 jaar met een vak heeft beziggehouden, dat die iets heeft aan de inspraak van iemand die er nog niets aan heeft gedaan? Zullen er nu allemaal vakscholen komen? Zal de westerse beschaving onder gaan? Zullen, met andere woorden, de blanken de negers van het jaar 2300 zijn? Haha!

- Toen u naar de universiteit ging, wat voor gevoel was dat voor u? Toch een bevrijding (in 1940)?

- Ja, daarom kan ik ook niet zo dol zijn op die kritische studenten, want de overgang van het gymnasium naar de universiteit - u spreekt nou van bevrijding - dat vond ik erg fijn, dat is wel een van de fijnste dingen die ik in mijn leven heb meegemaakt. Ze praten nou wel van: die professoren zijn zo autoritair, maar je werd toch als mens behandeld.

Bevrijding: het is natuurlijk zo dat je van de ene slavernij in de andere stapt. Het enige geluk dat op deze wereld gevonden kan

[p. 231]

worden is geluk in slavernij. Geluk in vrijheid bestaat niet. Vrijheid is niets. Een van de meest dolle begrippen die de ronde doen. Alle ideologieën waarin vrijheid als een soort concreet goed wordt voorgesteld, nou, dat is nonsens voor mij.

En van die kernen waar we 't zojuist over hadden, die hetzelfde blijven, je leven lang, daar maakte idealisme bij mij ook als jongetje geen deel van uit. Dat was ook 't verschil met mijn zusje, die maakte zich zorgen over de oorlog die kwam, liep met een gebroken geweertje; dat zou nu, als ze nog geleefd had, zo iemand geworden zijn die manifesten voor Cuba ondertekent en zoal meer. Daar verzette ik me toen al tegen. Ik vond als kind een gebroken geweertje al een belachelijk idee. Ik vond: als die Duitsers komen, moeten we knokken. Ik wilde dan ook graag in dienst gaan. Die oorlog brak net een paar maanden voor ik in dienst moest uit.

- Toen werd uw zuster vermoord.

- Het was de ochtend na de avond waarop de capitulatie plaatsvond. Ik hoorde een vreemd geluid in huis. Ik werd wakker en merkte toen dat mijn ouders, die allebei hele droge mensen waren, liepen te snikken. Een verschrikkelijke sensatie voor mij, ik had nog nooit zoiets meegemaakt. Mijn zuster was die vorige avond gevonden met die neef die eerst nog geprobeerd had naar IJmuiden met z'n gezin te ontkomen en dat was niet gelukt... Mijn neef heeft mijn zusje die avond in de auto opgehaald om zogenaamd een beetje met zijn vrouw te praten. Toen zijn ze later door een surveillancewagen gevonden, dood in zijn auto.

- Wat voor man was die neef?

- Een vreemde, wilde man (dat m'n zusje met hem een verhouding gehad bleek te hebben, kwam dan ook voor mij als een complete verrassing). Die neef heb ik beschreven in Ik heb altijd gelijk (de politieman). 't Soort vlotte, enigszins corpulente man, je kent dat type wel: geintjes en zo, altijd grapjes, moppen over vrouwen. Leek een beetje op Mussolini, haha. Helemaal niet 't soort man van wie ik zou denken dat-ie dol op mijn zuster zou worden... Die neef was toen 40 of zo en wij 18 en 20. We kenden hem al van ons tweede jaar, hij was ons vertrouwd... Het was ook een ontnuchte-

[p. 232]

ring voor mij: dat er over mijn zusje, de brave Hendrik van de familie, zulke feiten voor de dag kwamen... Ik kon met die neef ook geweldig opschieten. Hij kon handig scharrelen en zo, hè, hij praatte ook altijd luchthartig over allerhande dingen. Hij maakte een enorme indruk op mij.

Nu ben ik niet meer jaloers op dat soort mensen, ik háát dat soort mensen, ik haat waar ze voor staan, dat zijn nou typisch de mensen die hun omgeving met kletspraat zoet houden. Die mensen zijn gevaarlijk voor mij. In wezen ben ik een verlegen en naïef mens, ik kom makkelijk onder de invloed van dat soort mensen. Ze vormen een bedreiging voor mij. Ik ben argeloos. Iedereen wil macht. De mensen die over vrijheid praten, die denken dat de slavenmeester de macht heeft, maar de slaaf heeft ook macht. En zo is de bedrieger niet alleen machtig maar de bedrogene ook.

- Daarom: het lijkt alsof u, juist uit angst om gekwetst te worden, zich almaar meer kwetsbaar opstelt. Om gelijk te krijgen.

- In de vorige eeuw was het moeilijk om door Marokko te reizen. Iedereen die geen Islamiet was kon erop rekenen dat-ie d'r in kwam en nooit meer eruit. Toch zijn er ontdekkingsreizigers geweest die nieuwsgierig waren en daar toch zijn doorgedrongen. Die mensen stelden zich kwetsbaar op. Maar dat was voor die mensen natuurlijk geen punt. Ze wilden weten hoe Marokko was. Die mentaliteit is wat, hoop ik, mij bij het schrijven bezielt. Het is bij mij niet een soort ethische overmoed, een ethisch kwetsbaar opstellen. Nee, ik wil ergens in een gebied doordringen, daar waar slagen vallen. Goed.

- Heeft u veel vrienden?

- Nee. Ik geloof dat vriendschap maar een vaag idee blijft als het niet op een bepaalde belangengemeenschap gebaseerd is. 't Is zo: je kunt beter met elkaar bevriend zijn als je elkaar nodig hebt. Dat zie je bij expedities en oorlogen. Ik ben geen man voor vriendschappen ins Blaue hinein. Hoewel 't wel eens z'n bekoring kan hebben om lief te zijn voor iemand zonder enig bij-oogmerk. Maar dikwijls breekt je dat zuur op, naderhand.

Ik ben toleranter geworden, in vergelijking met vroeger. 't Was

[p. 233]

toen moeilijk. ledere keer als ik iets geschreven had dan ontstond er verzet tegen. Dat is nu niet meer zo. Want als ik nu iets schrijf denken een heleboel mensen: nou als ik dat publiceer dan verdien ik er geld aan. Dus wordt het gepubliceerd. Zo gaat dat nou eenmaal in het leven. Natuurlijk is dat niet leuk, maar het kan niet anders.

- Genegenheid om niet kan best aardig zijn.

't Breekt je vaak zuur op. Dat vergeten al die filosofen die het over de genegenheid om niet hebben: de meeste mensen willen zich niet genegenheid om niet laten welgevallen. Ze willen dat die genegenheid gebaseerd is op hun prestaties. Daarom zegt het oude spreekwoord ook: ondank is 's werelds loon. Genegenheid om niet is eigenlijk alleen iets wat je aan dieren kunt bewijzen. Of dode dingen... zoals tikmachines.

- In de Preambule voor Paranoiaheeft u het over 'n grote verzameling kantoorbehoeften (ringbanden, kaartsystemen) die u, ongebruikt, had opgeslagen. Nu heeft u een verzameling van ongeveer 50 tikmachines, instrumenten die u niet gebruikt. Is daar enig verband tussen?

- Dat van die kantoorbehoeften had ik verzonnen. Die tikmachines... Nu loop ik vooruit op een boek dat ik eens hoop te schrijven en dat zal heten: De genetica van de schrijfmachine. Schrijven is: iedere letter afzonderlijk tekenen. Hoe maak ik nou een machine die dat voor mij doet? De schrijfmachine. En op dat probleem (hoe moet die machine werken) zijn verschillende antwoorden mogelijk. De volgorde waarin die antwoorden gegeven en gerealiseerd zijn is zeer interessant. Het wordt geen esseej maar meer een studie. De filosofie van de schrijfmachine.

- Is er nou zoveel verschil of je met een schrijfmachine of een kroontjespen schrijft? Van het Reve schrijft met een kroontjespen.

- Ja natuurlijk is er verschil. Van het Reve is op 't jaar 0 teruggevallen. 't Christendom. Toen schreven ze ook al met een kroontjespen, of iets dergelijks. Het is net zoals de schrijver die nog met een ganzeveer schrijft; zo van: ik ben schrijver, ik schrijf met iets wat niemand meer gebruikt. - Daar heb ik een zeer grote afkeer van.

- Men beschouwt u en Van het Reve als de grootste schrijvers van Nederland.

[p. 234]

- Nou, dat ligt dan aan Nederland. Dat er zo weinig schrijvers zijn.

- U legt, in de Preambule voor Paranoia, vooral de nadruk op de geheimzinnigheid van het bestaan.

- Ach, wat is nu geheimzinnig. De aarde bestaat zo'n drie miljard jaar. En van 1921 tot maximaal 2021 kan ik leven. Dat is niks. Het is zeker dat het heelal dan nog bestaat en daarna nog bestaan zal zonder W. F. Hermans.

Al zeer, zeer jong, zeker op m'n derde, vierde, vijfde jaar had ik al een kolossale eerzucht, dat is echt zo, dat is echt zo. Een gevoel van superioriteit, van de hele-zaak-in-m'n-zak-te-kunnen-steken. Als klein jongetje was ik al in de weer met 't maken van machines. Ik heb toen ik zes was de elektro-magnetische rem uitgevonden, op m'n elfde merkte ik dat-ie al uitgevonden was. Haha! Maar dat is toch heel normaal.

terug  begin  verder