terug  begin  verder
[p. 265]

22. Freddy de Vree De tranen der acacia's anno 1976

[Oorspronkelijk gepubliceerd in: Muziek en Woord (periodiek, uitgegeven door b.r.t. 3), 2, 1976, nr. 23, augustus]

 

Radio-uitzendingen zijn gemaakt voor luisteraars: tijdens de beluistering zorgen achtergrondgeluiden voor de spatiale situering van de tekst. Zulk een situering moet hier ontbreken. Ze werden in de mate van het mogelijke gesuggereerd door plaatsverwijzingen. De uitzending begint 30 jaar na het ontstaan van de roman van Willem Frederik Hermans, terwijl we via Waterloo (het grootste deel van deze uitzending werd in de auto opgenomen) naar Brussel rijden.

Vertrekpunt: Waterloo

- Eén van de dingen die mij fascineerden in de tijd dat ik De tranen der acacia's schreef was dat België ligt op wat je zou kunnen noemen het knooppunt van de Europese dramatiek. De oorlogen in West-Europa, die worden bijna per traditie in België uitgevochten, waarvan het heuveltje in Waterloo met de leeuw erop het symbool is.

Een oude gedachte die onder andere op de voorgrond getreden is na de definitieve nederlaag van Napoleon, tijdens het Kongres van Wenen, om de Nederlandstalige volken als een soort wig te drijven tussen de voortdurend oorlogvoerende Duitsers en Fransen. De tragedie is dus dat die Nederlandse wig eigenlijk nooit sterk genoeg is geweest, maar het is dus steeds weer geprobeerd en één van de meest spectaculaire dingen was de eerste wereldoorlog en nu is het eigenaardige dat eigenlijk het hoofddeel van de Nederlandssprekenden, namelijk Nederland zelf, aan die eerste wereldoorlog niet heeft deelgenomen. Toen ik een schooljongetje was, ik geloof in het jaar 1938, heb ik met mijn school een excursie gemaakt naar België en toen hebben we ook Waterloo bezocht, in die tijd hing de

[p. 266]

tweede wereldoorlog in de lucht en we vroegen ons dus af, niet zozeer met angstige verwachting maar ik zou bijna zeggen met blijde verwachting: als er nu weer oorlog komt dan zal Nederland eraan deelnemen. Dat is toen natuurlijk ook gebeurd, maar in een bittere teleurstelling uitgedraaid. Ook één van die dingen die, mijns inziens, hun weerslag gevonden hebben in De tranen der acacia's.

 

De tranen der acacia's werd door Willem Frederik Hermans geschreven tussen 16 mei 1946 en 4 januari 1948. Het is het verhaal van Arthur Muttah, student in de scheikunde en als student gevat door de tweede wereldoorlog in het bezette Amsterdam. Arthur is één van die tot mislukking gedoemde figuren, zo eigen aan het universum van Hermans, in Holland achtergelaten door zijn Belgische vader en opgegroeid naast zijn halfzuster Carola onder de tyrannie van een hatelijke waarzegster, zijn grootmoeder, die Arthur met verdoemende voorspellingen bespookt.

In de figuur van een andere mislukkeling, de scheikundeleraar Oscar Ossegal, treft Arthur een tweede vader, een half-vader, en in de vrouw van Oscar, de Tsjechische emigrante Andrea, een minnares.

Bedrog stapelt zich op bedrog en ontgoocheling op ontgoocheling in het leven van deze personages.

Carola, Arthur, Oscar, Andrea en de mensen rondom hen worden gevat in het onophoudelijk misverstand, uitgelokt door de verhalen die iedereen continu verzon in een wazig en haast mytisch beleven van de weerstand tegen de Nazi's en het zich behoeden voor verklikkers. Arthur zelf beleeft daarnaast een linguïstisch imbroglio waar zijn minnares, de vrouw van Oscar, hem met een Tsjechisch accent, zijn Brusselse neef Lucien hem in een frankofoon Vlaams toespreken: hij heeft geen vaderland, wel twee halve vaderlanden, Nederland waar hij niet van houdt, België waar hij niet welkom is. Zo ook heeft hij twee halve vaders en twee half-zusters met wie hij geen vertrouwelijk contact kan leggen, of behouden.

 

- Willem Frederik Hermans, De tranen der acacia's ontstond tussen '46 en '48, het bevat verschillende passages die betrekking hebben op Brussel, op een verblijf van de hoofdpersoon, de jonge Arthur, in Brussel.

[p. 267]

Ook Willem Frederik Hermans verbleef kort na de bevrijding in België.

- Ja, maar ik was er kort vóór de oorlog begon, liever gezegd in de zomer waarin de oorlog begon, in '39 was ik er ook enige tijd geweest, bij vrienden van mijn ouders, en na de bevrijding ben ik die mensen gaan opzoeken: ik vond dat heel erg aardige mensen. Dat is dus een hele vage basis voor het verhaal in De tranen der acacia's. De tranen der acacia's is een soort roman die, getrouw aan de Noord-Nederlandse traditie, waar ik toen ook nog een beetje door beïnvloed werd, met alle geweld pogingen doet om te gelijken op een autobiografie, maar het is helemaal geen autobiografie, het is voor 90% gelogen.

- Maar de beschrijvingen, de herinneringen, al zijn het dan herinneringen in de tweede graad: bijvoorbeeld de toespraak van Generaal De Gaulle na de bevrijding op de markt in Brussel, die heeft U wel meegemaakt?

- Ja, dat soort dingen en de beschrijvingen van bepaalde omgevingen in Brussel, die zijn wel nagenoeg autentiek. Het is overigens een Brussel dat bijna helemaal verdwenen is, en wat ik toen eigenlijk een erg leuke stad vond: Brussel was een stad die mijn verbeelding bijzonder prikkelde; dat komt, denk ik, doordat ik als jongetje een kinderboek gelezen heb dat ging over de Belgische opstand en over de gevechten die toen in Brussel hebben plaatsgevonden en de Prins van Oranje die toen met zijn troepen moest vluchten in het Park van Brussel. Ik zou niet meer weten wie de auteur van het boek was; ik weet ook niet meer hoe het boek heette, maar Brussel maakte altijd indruk op mij en dat komt bijvoorbeeld ook door de warme kleuren van de Belgische vlag, alsof er iets broeide, en dat was toen meer het geval dan nu, nu het allemaal vol staat met wolkenkrabbers, zo in de stijl van Mies van der Rohe in staal en glas en zo. Dat had je toen helemaal niet, je had er toen autentieke oude huizen, hetzij in de negentiende eeuw nagemaakte oude huizen, zwaar overladen barok of pseudo-barok en echte renaissance of pseudo-renaissance.

- En er was toen ook nog ruimte?

- Ruimte, ja dat wil zeggen die grote boulevards van Brussel, de

[p. 268]

ringboulevards die buitenom lopen, daar had je twee tramsporen en daartussen in had je langgerekte plantsoenen met bomen. Enfin in 1946 was Brussel nog een typische vooroorlogse stad, echt een vrij rustige stad, voor die tijd misschien ook wel al een vrij drukke stad, maar toch niet te vergelijken met wat het nu is, nietwaar, met kolossaal veel auto's en zo.

- Neen, maar ik doelde op ruimte binnenin de huizen, want ook het huis van de familie, de halve familie waarin Arthur terecht komt, lijkt een soort Kafkaiaans labyrint te zijn. Het geeft de indruk dat hij terecht komt in iets wat veel groter is dan de omschrijving van het huis kan omvatten.

- Ik geloof niet dat dat een element is dat zo typisch Brussels moet heten, dat is meer een element dat te danken is aan de fundamentele fantasieën waar de roman op berust, niet op, laten we zeggen, het decor. Ongetwijfeld is België - en dat is nu nog zo - één van die landen waar een hele hoop mensen die tot een bepaalde ‘betere’ stand behoren, zeer ruim behuisd zijn. De huizen zijn in het algemeen erg groot.

- Maakte jij in de tijd dat je in Brussel was notities over de uitspraken van de personages? Eén van de personages, Lucien, een aangetrouwde neef van Arthur, die spreekt heel duidelijk Vlaams?

- Ja, grotendeels Vlaams, maar het is een zeer gebrekkig Vlaams. Ik denk dat het oorspronkelijk een frankofone man is geweest die daarna Vlaams geleerd heeft. Maar het is natuurlijk wel zo, dat is trouwens met alle Noordnederlanders zo, dat de uitspraak van het Nederlands hier, vooral als je 't voor de eerste keer hoort, een onuitwisbare indruk op je maakt, niet alleen de uitspraak maar ook de woordkeuze.

Maar in hoever het taaleigen waarin Lucien zich uitdrukt aan de werkelijkheid ontleend is of aan mijn fantasie, dat zou ik niet precies durven zeggen.

- Je hoort de Brusselse personages ook altijd tegen Arthur zeggen: alle flaminganten waren incivieken, was dat de heersende mentaliteit in Brussel?

- Ja, wel een beetje, ja. Men had het gevoel dat de Vlamingen of het Nederlandstalige deel van België minder afwijzend tegenover

[p. 269]

de Duitsers had gestaan dan de Walen. Dat gevoel is natuurlijk verklaarbaar uit het feit dat zowel in de tweede wereldoorlog als in de eerste de Duitsers het er duidelijk op toegelegd hebben om het Nederlandstalige deel van de bevolking aan hun zijde te halen.

- Ik kom nog even terug op die frankofone Vlaming die het woord richt tot Arthur: is dat binnen de roman niet een soort linguïstisch pendant van de figuur van Andrea die een door Oosterse talen beïnvloed Nederlands spreekt?

- Ja, dat is ongetwijfeld waar en het geheel heeft, denk ik, een ruimere betekenis dan alleen een linguïstische kritiek op de manier waarop sommige mensen talen spreken, met name Nederlands, maar het is symbolisch voor het gebrek aan verstandhouding tussen de hoofdpersoon en zijn omgeving.

- Om bij de roman te komen: het is het verhaal van Arthur, een kind zonder ouders, die met halve ouders en half-vader-figuren in contact komt.

- Maar niet alleen iemand die met halve vaders of half-vader-figuren in contact komt, maar die met halve vaderlanden in contact komt. Tegenover zijn echte vaderland Nederland staat hij afwijzend, omdat hij zich geneert voor het gebrek aan macht dat het heeft ontplooid tijdens de oorlog; hij gaat dan naar België wat dan ook een soort vaderland voor hem is, maar een totaal gespleten, verbrokkeld vaderland.

Hij heeft dan ook al gedachten - trouwens die gedachten waren in die tijd ook min of meer algemeen - die preluderen op of samenhangen met het ontstaan van de Benelux.

Het is eigenlijk een oud probleem, nietwaar, men heeft na de Napoleontische oorlogen ook gedacht om in dat deel van Europa een soort vrij grote Nederlandse bufferstaat op te richten.

Het probleem is blijven bestaan en heeft nu toch een oplossing gevonden of een stadium van oplossing bereikt in het oprichten van de Benelux. Maar het is wel eigenaardig natuurlijk dat de Benelux het hele grondgebied omvat: België, Nederland, Luxemburg, wat toch ook het grondgebied van Koning Willem i was. Dat is toch eigenaardig dat dat na 100 jaar weer ontstaan is, en dan nu

[p. 270]

goddank zonder die ideologische, politieke spanningen van ± 1830.

- De figuur van Arthur refereert wel eens expliciet in de roman De tranen der acacia's aan Napoleon, is dat ook niet een verwijzing naar Le rouge et le noir van Stendhal, naar dit soort van ontvoogdingsroman van een mislukte jeugd?

- Ja, je kunt natuurlijk ook het omgekeerde zeggen: namelijk dat de populariteit van Le rouge et le noir vooral erg toeneemt zo omstreeks 1935-'36-'37-'38, dat men in Julien Sorel eigenlijk een soort proto-type van een proto-fascist zag en dat Arthur Muttah dikwijls eens aan Napoleon denkt of zelfs langs allerlei omwegen een afstammeling van Napoleon zou zijn, dat hangt samen met het hele historische tijdperk waarin men tot op zekere hoogte een soort omgekeerde herhaling kan zien van wat er in het begin van de negentiende eeuw onder Napoleon is gebeurd en dat zich herhaald heeft in de veertiger jaren onder Hitler.

 

Nederland in de jaren veertig is een land van hongersnood en zwarte handel, weerstandsverhalen en repressie, jodenvervolging en arbeidsdeportatie. Gebrek aan voedsel en aan sigaretten vormen voor de jonge Arthur een fysieke last; als hij na de bevrijding België bereikt is hij er eerst getroffen door de alweer het hoofd opstekende opulentie.

Op p. 238 van de definitieve versie van De tranen der acacia'sarriveert Arthur, na het uitstappen uit de tram, bij het huis van zijn Belgische vader. Hiervoor refereert Hermans aan het huis van echte vrienden van zijn vader, de heer Henry - bijnaam Riquet - Henry Baudart en zijn vrouw Berthe Mocke. Baudart was werkzaam in de diplomatie en zijn echtgenote bestuurde het schooltje dat op de binnenkoer naast de grote tuin achter het huis lag.

Het echte huis lag op de Square Brugmann en al is deze square van naam veranderd en heet hij nu Marlowsquare, staan zowel huis nr. 3 als school er nog.

Arthur komt terecht in een ruim huis dat onderdak biedt aan twee halve families, ook hier in het echte ouderlijke huis heersen misverstanden en tweespalt, waar twee takken van de familie blijken te cohabiteren in

[p. 271]

Kafkaëske labyrinten, en deelnemen aan simpele maar toch ondoorgrondelijke gewoonten en rituelen.

In dit huis woont ook Alice, de vrouw van zijn vader, een vrouw die Arthur voor de oorlog niet in huis wilde zien en zich nu, ziek en verlaten als ze is, aan zijn aanwezigheid vastklampt.

Het huis staat nog op de Marlowsquare, in de hoek geklemd tussen twee slecht aangegeven eenrichtingsaanwijzingen met hoogbouw ernaast die de school verbergt die doorloopt tot in de Rode Straat aan de achterzijde. Hermans bezag het huis voor het eerst weer na 30 jaren temidden van het omgevende lawaai van auto's en trams.

Ukkel-Marlowsquare

- Hier rechts langs het pleintje, als je hier zo om het pleintje kunt rijden... hier hebben ze een heleboel afgebroken. Zie je, waar die supermarché staat, daar stonden allemaal van die mooie oude huizen.

Nu zijn we dus op de Square Brugmann, daar in de hoek zie je een oud huis en daar is nu dus ook een school in, maar dat was oorspronkelijk de directeurswoning van de school die erachter ligt en daar achter was een groot open terrein.

De vrienden van mijn ouders woonden daar, die meneer was ambtenaar op het ministerie van buitenlandse zaken, zijn vrouw was directrice van de school. Daar heb ik in juli-augustus '45 gelogeerd en dat was dus wel de voornaamste inspiratiebron: toen heb ik erg veel door Brussel gewandeld.

Dus de milieubeschrijvingen die je in De tranen der acacia's tegen komt, ik zou zeggen de documentatie, die heb ik in die tijd verzameld. Maar die supermarkt die was er natuurlijk nog niet, er stonden allemaal andere mooie oude huizen. Het is nu natuurlijk verschrikkelijk verpest, ja.

- En die hoogbouw die stond er al?

- Neen, daar rechts dat niet, maar wat daar staat, dat dateert duidelijk van voor de oorlog. Dat moet er wel geweest zijn, of misschien ook wel niet, hoor. In ieder geval het komt me niet bekend voor.

[p. 272]

- En dat grote park daar achter de school, dat kwam uit in de Rue Rouge?

- Ja, dat zie je hier ook op de kaart, hier was er een groot terrein en achter het huis was of is een langgerekte tuin met muren erom heen en een poort erin, ze konden dus door de achteruitgang van het huis op het schoolterrein komen.

- Wat voor school was het?

- Ik geloof dat het gewoon een combinatie van lagere scholen was.

- Jij was er alleen in de vakantie?

- Ja.

- En die tram, die volgde dezelfde lijn?

- Nou, ik geloof dat die hier een rondje maakte. Een heleboel trams reden hier naar toe, over die Avenue Brugmann, en er was nog een andere tram die je ook gebruiken kon. Om naar hier te komen waren er verschillende. Over de Chaussée d'Alsemberg was er ook een tram die je gebruiken kon.

- En dan ging hij langs de Sukkelweg naar het Château de Boetendael?

- Nou, dat Château de Boetendael, dat schijnt nu voor het publiek geopend te zijn, ik weet niet, er is daar nu een of andere, culturele instelling, maar vroeger was dat partikulier bezit, je kon er niet in komen. Hier was er een grote hoge muur langs, die zal er nog zijn. Dan had je hier de Avenue Longchamps, die is na de oorlog al direct veranderd in Avenue Churchill en ik had ook kennissen op de Avenue Molière. Die omgeving daar heeft me ook erg veel inspiratie verschaft.

Dan moeten we het nog hebben over dat monument dat daar inderdaad staat: een monument voor de in de eerste wereldoorlog gevallen vliegers.

- Dat staat op de Heldensquare?

- Ja, dat komt voor in De tranen der acacia's, het is voor Arthur een aanleiding tot een meditatie over de toekomstige monumenten gewijd aan de gevallenen in de tweede oorlog, waarbij hij zit te bedenken: nu zijn ze bezig daarvoor geld in te zamelen.

- Laten we tot bij het huis gaan.

- Ja, laten we dat doen. Ontzettend hè, dat ze die supermarché hier gezet hebben, verschrikkelijk is dat.

[p. 273]

Vreemd toch dat ze dat pleintje Marlowsquare hebben genoemd. Ja, dit is natuurlijk ook helemaal nieuw allemaal, dat komt mij ook totaal onbekend voor. Het is eigenlijk al gek genoeg dat uitgerekend dat ene huis daar is blijven staan! Nr. 3 was het, ja. Er zitten twee voordeuren in, nou, dat is ook eigenaardig, hier zit een deur en opzij zit ook een deur, maar die komen op dezelfde vestibule uit, althans zo was dat toen.

- En dat gebouw daarnaast, dat stond er ook?

- Ja, toch hoor, ik geloof wel dat dat er al stond. We kunnen misschien even omlopen zodat je iets van de tuin kunt zien als daar nog iets van overschiet.

Het hek is dicht, neen, dan kunnen we er niet in komen.

Daar waar je dat nieuwe gebouwtje ziet, daar waren al die kleine wc-tjes op een rijtje, voor kinderen, daar hingen ook allemaal bordjes op: ‘Soyez bons pour les animaux’. Dat was ook naar de natuur getekend.

Hogerop in Ukkel

- Op het voorgaande moeten we wel een correctie aanbrengen: het Kasteel van Boetendaele is niet opengesteld voor het publiek.

- Ik ben er toen nooit geweest, want je kon er niet in komen, maar in ieder geval een groot stuk van het terrein zoals we het nu zien, is veranderd in flatgebouwen, nieuwbouw allemaal en er staat nog maar een heel klein stukje van de muur van het oorspronkelijke landgoed. Of het oorspronkelijke gebouw er nog staat, hier ergens achterop, dat weet ik niet, maar in ieder geval er is niet veel vrolijks meer aan te zien.

 

Ja, er was in 1945 ook niet veel vrolijks voor Arthur, want in dit Brussel van '45 gaat in de roman De tranen der acacia's de ondergang verder bij de jonge Arthur van wat Hermans omschrijft als ‘dat afzichtelijke dat uit de bodem van zijn ziel wilde opkomen’. Brussel lijkt net zoals Amsterdam een warboel van half-familiale misverstanden, mislukkingen en misgunningen, een centrum hoogstens van dof alkoholisch

[p. 274]

en seksueel beleven voor militairen en figuren van de zwarte markt. Brussel, waar Arthur in het huis van zijn Belgische vader de wanhopige liefde afwijst van de dienstmeid, waar Arthur door de stad loopt met Gaby, kort door Hermans geïntroduceerd als ‘een lelijk meisje’.

Op het Martelarenplein

Het Martelarenplein is een klein plein, een vervallen en veronachtzaamd soort monument in een kuil weggestopt en nog eens extra omgeven door bumper-aan-bumper geparkeerde auto's.

- Ja. O, schitterend! Wel jammer dat het zo vol auto's staat. Het is een soort miniatuur-Place de la Concorde, het monument lijkt er toch een beetje op, waarbij de oprichters aanvankelijk toch wel iets veel groters in hun hoofd hebben gehad, maar ze vonden het dan toch ook niet zó grote martelaren om een groot monument te rechtvaardigen.

 

Een klein land met kleine mensen, Arthur Muttah, gedroomde afstammeling van de kleine man Napoleon, houdt er niet van.

Met Gaby woont hij de huldiging bij van Generaal De Gaulle.

Regentiestraat

- Eén van die dingen die in het boek veranderd zijn, dat is de Regentiestraat, dat heb jij in Regentschapstraat veranderd.

- Ja, dat is ook iets eigenaardigs, er heeft in de eerste drukken gestaan: Regentiestraat. Naderhand heb ik door die straat gelopen en heb gemerkt dat er op de bordjes stond: Regentschapstraat, maar zoals je je herinnert, reden we een paar maanden geleden door de straat en dan was er inderdaad een bordje waarop stond Regentiestraat. Het was dus geen fout van mij, ik had dat inderdaad gezien, de Rue de la Régence zoals die in werkelijkheid heet, wordt soms vertaald als Regentiestraat, maar meestal als Regentschapstraat. Regentiestraat, dat had ik eigenlijk moeten laten staan, omdat dat helemaal een eigenaardig soort Nederlands is natuurlijk.

[p. 275]

- Is er hier veel veranderd op de Kleine Zavel?

- Neen, hier is er eigenlijk gelukkig niets veranderd. Hier op die Kleine Zavel heb je de beelden van Egmond en Hoorne, die het hoofdpersonage inspireren tot enkele visionaire staatkundige beschouwingen; zie je, je hebt daar nog één blauw bordje op de hoek van de straat waarop de Rue de la Régence vertaald wordt als Regentiestraat.

- Maar die antiekmarkt, die was er nog niet?

- Neen, dat herinner ik me niet.

- Terwijl antiek anno 1976 toch wel één van de lokpunten voor jou is geworden aan Brussel?

- Ja, maar toen hield ik er ook wel al veel van om op rommelmarkten rond te lopen, daar ben ik trouwens als klein jongetje al mee begonnen. Mijn vader was daar ook al dol op.

Er was wel - maar dat weet ik niet meer waar dat was - er was ergens een soort markt van oude boeken.

- Was dat niet bij het centraal station?

- Dat centraal station bestond helemaal niet. Maar het zal wel die kant op geweest zijn, ja.

- Dat centraal station is ontstaan tussen die Noord-Zuid verbinding...

- ...die ze bezig waren aan te leggen, ja, waar toen de hele stad ondersteboven voor gekeerd lag, maar ja, deze stad wordt voortdurend ondersteboven gekeerd, want nu is het de Aldolf Maxlaan, het Brouckèreplein en de Anspachlaan die weer opengebroken liggen, voor de metro of zoiets.

Die huizen op de Brouckèreplaats die dus ook in het boek beschreven worden, en ook vol hingen met lichtreclames en andere reclames, daar is natuurlijk ook al een groot deel van afgebroken, er staan er nog wel een stuk of vijf, zes die inderdaad nog vol zitten met lichtreclames.

Hier, deze antiekwinkel die was er al, die wordt ook vermeld in het boek, meen ik, en daar was er een halte van één van de trams waarmee ik naar het huis terug kon rijden.

- En het conservatorium?

- Ja, dat was er al, maar dat speelt geen rol in het boek.

[p. 276]

- Maar het Justitiepaleis wel?

- Ja. Aan het eind van de oorlog, meen ik, hebben de Duitsers er een bom laten ontploffen of het in brand gestoken, en de koepel was er af in die tijd.

- Maar België was toen wel in betere staat dan Nederland?

- In veel betere staat, want het was ook eerder al bevrijd.

- En was de friet al te krijgen?

- Die was zeker al te krijgen, alles was er al te krijgen, al dan niet tegen zwarte prijzen. België was ten eerste eerder bevrijd en ten tweede had het, geloof ik, tijdens de bezetting het ook minder moeilijk, doordat Koning Leopold niet naar Engeland was gevlucht en België had, meen ik, alleen een militaire gouverneur, maar geen civiel-Duits opperbeheer.

- En hier in die Regentiestraat was de kantindustrie van Brussel, maar daar keek jij niet naar?

- Neen, dat herinner ik me niet zo scherp. Maar dat is juist vervelend, dat wanneer ik een boek schrijf waar een bestaande omgeving in voorkomt, dat ik daar andere dingen ook bijschrijf die niet op een eigen ervaring berusten. En dan na het schrijven van het boek weet ik niet meer wat ik verzonnen heb en wat echt waar was.

- De Marollen, kwam je daar wel in?

- Ja, daar gaan we dus straks naartoe, vooral dus naar de Blaesstraat, en die Blaesstraat was toen het centrum van de handel in artikelen zoals kleren, militaire uniformen en vooral sigaretten en zo, vooral alles wat van de Canadezen en de Amerikanen afkomstig was.

- Vandaar die tweedehandswinkeltjes die zich daar gevestigd hebben?

- Ik denk dat die er al waren, ja, voor de oorlog zullen die er ook wel al geweest zijn.

- Was dat toen ook al het Vossenplein?

- Ik herinner het me niet, maar het kan best zijn dat ik er toch wel geweest ben en dat dat er was.

[p. 277]

Rijdend langs het Zuidstation

- Er was een kermis daar in die tijd.

- Altijd?

- Ja, ik geloof dat dat permanent was. Nou, ja, er was ook niet zo veel te zien: frietkramen en draaimolens.

- Was er toen een druk verkeer van auto's in België?

- Niet te vergelijken met nu, er waren wel veel auto's, er kwamen veel militaire auto's van de Engelsen en de Amerikanen. België was natuurlijk onder andere een geliefde uitgaansstad voor soldaten, die met verlof uit Duitsland kwamen.

In dit gedeelte van België, het vrolijke België voor militairen, komt Arthur Muttah, het hoofdpersonage uit De tranen der acacia's, terecht in een bordeel en het is in dit bordeel dat de fantasmen van leven en dood in hem beginnen samen te vloeien. In één van de kamers meent hij zijn halfzuster Carola te herkennen, dronken slapend in de armen van een of ander soldaat. Hij bevredigt zich aan een meisje dat Maritza heet, maar bij het verlaten van het bordeel, gelegen in de Cirkstraat, thans Cirkusstraat, een zijstraat van de Adolphe Maxlaan, ontdekt hij dat al zijn geld gestolen is terwijl hij nu net iets wou gaan kopen voor het graf van Alice, de vrouw van zijn vader, ondertussen overleden. Hijzelf, vermeende afstammeling van Napoleon, keert later terug naar het bordeel en naar Maritza en hij sterft in haar armen, niet zoals Napoleon maar zoals Atilla de Hun, aan een neusbloeding, in een bed.

De expliciete verwijzingen naar het sexuele leven van de protagonisten waren voor Holland in die jaren veertig en vijftig bijzonder schandaalverwekkend en Hermans vond ternauwernood een uitgever. Toen Geert van Oorschot het boek eindelijk uitbracht waren de problemen van de auteur nog niet voorbij want later weigerde Van Oorschot om gedeelten van het boek te laten herzetten ter correctie van het manuscript. Zodoende ontstond pas in 1971, nadat het conflict dat Hermans met zijn uitgever had, door middel van arbitrage was opgelost, de definitieve uitgave.

 

- Waarom is van die roman, die in 1948 beëindigd was, pas in 1971 de definitieve versie verschenen?

[p. 278]

- Dat heeft allerlei oorzaken: de definitieve versie is wel iets ouder dan van 1971, die is eigenlijk ontstaan in 1966-'67, toen de Duitse vertaling van het boek zou verschijnen. Maar dat die niet eerder in Nederland is verschenen, dat lag aan een technische moeilijkheid, aan conflicten met Van Oorschot, omdat die geen nieuwe editie van het boek wilde uitbrengen, want dan zou het opnieuw gezet hebben moeten worden en uit krenterigheid wilde Van Oorschot dat niet, daar lag het dus eigenlijk aan.

Maar het lag er ook aan dat dit boek eigenlijk mijn eerste roman geweest is, van een zodanig grote omvang, terwijl mijn ideeën over het schrijven überhaupt en het schrijven van zulke dikke romans, in de loop der tijden wel veranderd zijn.

Toen ik De tranen der acacia'sbegon te schrijven, toen waren mijn ideeën omtrent het schrijven veel minder consciëntieus, immoreler dan naderhand. Ik was toen vijfentwintig jaar en besefte niet dat een slordig geschreven tekst of een, ja een beetje onevenwichtige tekst, nou ja, dat ik daar ooit later spijt van zou krijgen: ik was toen eigenlijk wel in verzet tegen het pietepeuterig geschrijf dat in Nederland voor het summum van schrijverij doorgaat. Ook het schrijven van heel kleine essaytjes, van hele kleine opmerkingetjes, aforismen enzo, al dat horlogemakerswerk, daar had ik toen al iets tegen. Je ging zitten en je schreef twintig pagina's achter elkaar en verder ging je daar niet over piekeren, het leven gaat voort, het schrijven gaat ook voort, hè: doe wel en zie niet om. Maar naderhand ben ik toch gaan omzien en heb ik, over bepaalde tekstgedeelten of over de manier waarop bepaalde gedeelten neergeschreven waren, spijt gekregen. Ik ben toen tot de conclusie gekomen dat het beter kon en heb dus een mijns inziens sterk verbeterde versie naar voren gebracht.

- Maar toch is de constructie van het boek onveranderd gebleven, die zit heel hecht in mekaar? Als op een bepaald moment het personage Arthur uit de trein kijkt, en hij ziet de rook van de fabrieken versmelten in de mist, dan komt zoiets analoogs later ook weer terug als hij de fabrieken in de Marollen beschrijft in Brussel. Dus zó onnauwkeurig was De tranen der acacia's eigenlijk niet geschreven?

[p. 279]

- Wat de constructie betreft, niet! Ik heb - gelukkig zou ik haast zeggen - (als dat niet al te zelfingenomen klinkt) bij het schrijven van mijn allereerste verhalen, een verhaal als Een ontvoogding - wat het oudste van mijn gepubliceerde verhalen is - (heb ik geschreven toen ik 19 was), toen heb ik bij wijze van spreken direct ontdekt, wat tot mijn grootste verbazing de meeste Nederlandse auteurs nooit ontdekken, dat de kracht van een verhaal zit in de constructie, en de constructie in De tranen der acacia's is redelijk goed, wat niet wil zeggen dat die oorspronkelijk al zo goed is geweest, maar dat is nooit gepubliceerd: het manuscript was oorspronkelijk wat groter, en voordat de eerste druk verscheen heb ik er een bepaald gedeelte uitgegooid, waar ik nooit spijt van heb gekregen. Het is in Nederland wel bekend dat ik er bepaalde stukken heb uitgegooid, dat heeft kwade tongen in beweging gebracht, die zeiden: Hermans heeft o.a. onder druk van zijn uitgever bepaalde stukken die te pornografisch waren eruit gegooid, maar dat is de meest absolute leugen die er bestaat, want die gedeelten hadden voor een deel helemaal niets met erotiek te maken en voor zover ze er wel mee te maken hadden, waren ze echt niet gewaagder dan de stukken die in het boek behouden zijn gebleven.

- Willem Frederik Hermans, je refereerde daarnet aan de reacties die De tranen der acacia's bij de mensen opriepen, het verzet tegen dat boek was vrij groot?

- Ja, het was al direct groot toen ik in eind 1946 de eerste hoofdstukken in het literaire maandschrift Criterium publiceerde, ik had het al enigszins voorzien en had in het eerste hoofdstuk waar, geloof ik, één keer het woord ‘naaien’ in voorkomt, dat had ik zelfstandig door puntjes vervangen met een noot dat dat op verzoek van de uitgever was gebeurd. Dat deed ik voordat de uitgever het hele manuscript had gezien, en toen de uitgever de drukproef van het tijdschrift zag, bleek dat ik het nog onderschat had. Toen waren er nog allerlei verwikkelingen, er zijn toen zelfs drie regels uit weggelaten.

Maar goed, er ontstond destijds een geweldig kabaal over die publicatie en het hele Nederlandse literaire wereldje drong erop aan

[p. 280]

bij Meulenhoff dat ie de hele publicatie zou staken. Dat is tenslotte niet gebeurd, dus ruim de eerste helft van het boek is in Criterium verschenen, maar merkwaardig genoeg had al dat schandaal ten gevolge dat het tijdschrift steeds slechter ging lopen, het verloor steeds meer abonnees. Toen het boek helemaal klaar was, toen had ik de grootste moeite om een uitgever te vinden; ik ben toen naar een heleboel uitgevers geweest, ten eerste naar mijnheer Meulenhoff die er al een heleboel geld op verloren had, ik ben bij De Bezige Bij geweest, die wilden het ook niet hebben, die waren bang dat ze eraan failliet zouden gaan, en tenslotte heeft Van Oorschot het dan genomen.

En dan zie je hoe laf eigenlijk de gemiddelde letterkundige is, want toen bleek dat dat boek voor die tijd nogal een succes was, het werd vlug verkocht, toen had je van die mensen, die al die jaren al gezegd hadden: ‘ach wat een schandalig boek, het is treinlectuur, pornografie en het hoort niet bij de literatuur’, die gingen toen plots hun opinie wijzigen!

- Maar het aspect van mogelijke pornografie of de mogelijke erotische inhoud van het boek die valt anno 1976 volledig weg en ik geloof dat de klemtoon meer ligt op het klimaat van wanhoop en verzet tegen de hopeloosheid en de kleine burgerij die daarin voorkomt?

- Ja, dat is ongetwijfeld waar en dat dan in combinatie met wat in die tijd ‘erotische vrijmoedigheid’ gevonden werd, die niet mocht neergeschreven worden, dat verklaart waarschijnlijk het verzet tegen het boek.

- Maar de klemtoon lag voor jou toch op de wanhopigheid van het personage?

- Ja, vanzelfsprekend, maar die wanhopigheid die manifesteert zich ook in de droeve, de wanhopige manier waarop hij zijn erotiek ervaart.

Bij het Noordstation

Deze droeve manier waarop Arthur Muttah zijn erotiek ervaart en de bloedige wijze waarop hij omkomt, zouden filmisch nog met strikte

[p. 281]

precisie kunnen worden gereconstrueerd, in dat deel van de rosse buurt van Noord-Brussel dat nog niet door het World Trade Center is opgevreten. Hier, in de zijstraten van de Adolphe Maxlaan zitten ze nog, de wijfjes met champagnedecoltés in een milieu, gecontroleerd door pooiers en gangsters. In 1946 deden die jongens aan zwarte handel.

- In 1946, Willem Frederik Hermans, was dit toen een bordelenbuurt?

- Ja, dat is het nu ook nog.

- En dat was toen druk bezocht door de geallieerden?

- Ja. O, maar hier was er een groot theater, geloof ik, hier waar nu die schutting is.

- Kijk, daar zit nog een lady voor het raam.

- Ja, een aantrekkelijke blondine.

Hier: Rue du Cirque. Oh, maar nu heet het Cirkusstraat! In die tijd heette het Cirkstraat.

- Ja, dat was dialect.

- Dus nu heet het Cirkusstraat.

- Kijk eens, die zat er in die tijd waarschijnlijk ook al?

- Ja, die kan er best toen al gezeten hebben! Zo zie je dat het oudste beroep ter wereld zorgt dat de dingen niet al te erg veranderen.

Dit gesprek van Freddy de Vree met Willem Frederik Hermans werd uitgezonden in Dossier-3 van 22 april 1976.

terug  begin  verder