terug  begin  verder
[p. 367]

28. Elize Botha en Henriette Roos In gesprek met Willem Frederik Hermans

[Oorspronkelijk gepubliceerd in: Tydskrif vir letterkunde, NR 21, 1983, nr. 2, mei]

 

- Meneer Hermans, ek sou graag 'n aanhaling van u, wat u twintig jaar gelede gegee het, wou lees. U sê: ‘Schrijven heeft voor mij geen zin, als het niet opgevat wordt als een mythologiserende bezigheid.’ Hoe kom die gedagte vir u in u werk uit: mite as verklaring vir 'n persoonlike siening van hoe die wêreld is, waarom die mens in hom leef soos wat hy wel leef; of ook, mite as 'n tegniek wat u gebruik om in sekere verhale die gebeure teen die agtergrond van 'n werklike bestaande mite te laat afspeel?

- Nou, het laatste wordt mij dikwijls door de kritiek in de schoenen geschoven, maar het is eigenlijk niet waar. Het is niet zo, dat ik probeer te doen wat sommige schrijvers doen: eerst een antieke mythe lezen en proberen daar dan een soort moderne versie van te maken. Enfin, daar kom ik nog wel over te spreken als we 't over Homme's hoesthebben morgenavond. Maar ik geloof wel dat iedereen die een verhaal of een roman schrijft, daaraan onwillekeurig een mythische dimensie geeft, en als hij dat niet doet, dan blijft hij in de alledaagsheid steken, in het autobiografische en in het toevallige. Ik houd van díe verhalen en romans die de indruk geven, dat er iets unieks is gebeurd. Dat bedoel ik met dat mythologische element.

- Sien u dit dus in u hele werk, dat daar so een groot mite is wat deur die hele oeuvre uitgebeeld word?

- Dat weet ik niet. In ieder geval, mythe is iets dat altijd sterk berust op het onbewuste, en ik zelf ben me misschien wel niet van alles bewust wat ik in mijn verhalen verwerk, dus deze vraag kan door een lezer opgelost worden, maar niet door de schrijver zelf.

- Brink, een van die Afrikaanse skrywers-teoretici, sien hierdie - hy noem dit die paradigma van die mite - hierdie verwerking van die ou mite, maar

[p. 368]

dan binne 'n moderne raamwerk, binne 'n moderne sfeer eintlik, as dié kenmerk van die na-oorlogse prosa. Dus by u nie soseer, of eintlik nie sprake van 'n bewuste tegniek nie, as wat dit eerder u siening van wat literatuur is, weerspieël.

- Ja, inderdaad, zo is het.

- Tog is daar werke soos De tranen der acacia's, selfs Nooit meer slapen, wat 'n baie duidelike mitologiese stramien het.

- Dat kan zo zijn, maar dat hoeft niet zo te zijn. Je kunt Nooit meer slapen opvatten gewoon als de geschiedenis van een jonge man die voor zijn doctorale proefschrift een onderzoek moet verrichten en zich dan eigenlijk bewust wordt van de beperkingen die aan het wetenschappelijk onderzoek kleven. Volgens zijn idee moet een wetenschappelijke ontdekking iets zeer unieks zijn; dat heb ik gesymboliseerd in dit boek. Hij verwacht en hoopt iets te ontdekken, meteoorgaten, die niet door iets aards ontstaan zijn, maar door iets dat uit de kosmos is gekomen, dat dus absoluut nieuw is, er nooit eerder geweest. Een enkele maal zijn er geleerden die ontdekkingen van die grootte doen. Dat hoeft dan niet te zijn een meteoriet vinden, die uit de kosmos is gekomen, maar een inzicht formuleren dat juist is en waar is en toch totaal nieuw. [...]

- Dus u wil Nooit meer slapen op dié vlak lees, en gelees hê?

- Zo zou het gelezen kunnen worden. Dat is mij liever dan dat men er allerlei dingen in gaat zoeken...

- Nie 'n Graalsoeker nie?

- ... zoals het zoeken naar de Graal, of naar de essentie van het bestaan, enz.

- In die moderne skrywersgeledere hoor ek dikwels dat auteurs hulleself distansieer van die feit dat hulle storievertellers sou wees. Ons eie Etienne Leroux self sê graag dat hij eintlik nie glo aan 'n storie in sy romans nie. Tog lyk dit vir my, as ek na u romans kyk en as ek uiteindelik selfs na dié van Leroux kyk, dat 'n roman skaars daaraan kan ontkom om 'n storie te vertel. Á propos Nooit meer slapen: dit bly boweal 'n ontsaglike boeiende verhaal.

- Ik ben u zeer dankbaar voor het compliment. Ik wil ook wel graag een boeiend verhaal schrijven, en ik ben het niet eens met

[p. 369]

die groep van auteurs, die je overal aantreft, in alle landen ter wereld, die zeggen dat een goed boek juist geen geschiedenis moet zijn. Het moet een stuk proza, een hoeveelheid experimenteel materiaal zijn, waaruit de lezer zelf z'n conclusies moet trekken of waar de lezer zelf z'n eigen verhaal uit moet opbouwen. Ik ben die school helemaal niet toegedaan; ik ben van mening dat het voornaamste dat een boek of verhaal moet mededelen, moet liggen in de totaliteit van het verhaal, dus in wat de mens die er in optreedt, de personen die er in optreden, zijn; en wat het samenspel of het conflict tussen die personen is. Daarmee moet iets uitgebeeld worden. Dat is mijn bedoeling, mijn hoofdbedoeling, waarmee ik niet wil zeggen dat ik het schrijven van goed proza onbelangrijk vind; maar dan nog, ik doe absoluut niet mijn best om mijn proza in deze zin mooi te maken door er allerlei excentrieke dingen in aan te brengen. Ik probeer het juist zo eenvoudig mogelijk te maken, en het grote probleem is om proza eenvoudig te maken en toch niet banaal, dat is wat ik eigenlijk bedoel.

- Ek dink dat dit Christopher Morley, die Engelsman, was wat gesê het dat die skryf van goeie prosa nie 'n natuurlike talent van die mens is nie.

- Daar heeft hij groot gelijk in. Je hebt auteurs die zich erop toeleggen proza te schrijven dat zoveel mogelijk op spreektaal lijkt. Dat is zeer moeilijk om dat te maken. Iemand die denkt: ‘O, dat is makkelijk, ik schrijf maar wat op’, die brengt het niet ver. Want als mensen spreken, spreken ze meestal niet goed. Ga maar eens met een aantal vrienden in een kamer zitten en zonder dat ze het weten, zet je een recorder aan. Als je terugdraait, hoor je hoe verschrikkelijk dat is. Het is de mens z'n natuur niet. De mens is, als hij echt natuurlijk is, nooit goed of mooi. Alles is kunst. Zelfs het natuurlijk zijn is een grote kunst.

- Dit is opmerklik dat verskillende skrywers in hulle besinning oor die literatuur, van die glasbeeld gebruik maak om die verhouding tussen teks en leser konkreet te stel. Dink aan Verwey met sy glasstulp tussen kunswerk en wêreld, of Van Wyk Louw se verwysing na die wêreld agter glas. U self verwys by geleentheid na u werk asof dit soos modderspatsels in 'n glas water sou wees, waardeur mens vanweë die troebelheid van die

[p. 370]

glas, slegs 'n onduidelike beeld kry. Waarop dui hierdie ‘troebelheid’: op die onvolmaakte vormgewing, of die asnog onvoltooide temas?

- Nee, dat is niet een kwestie van de vormgeving, maar een kwestie van alle gegevens die de werkelijkheid in ons achterlaat: alles wat wij waarnemen, alles wat we beleefd hebben, alles wat we ons herinneren, alles wat we verzinnen. Uit die massa wordt een verhaal gecomponeerd, maar uit een selectie, een minuscuul deel daarvan. Dus of je nu werkelijk het allerbelangrijkste daaruit gekozen hebt of niet, is een vraag die geen auteur oplost. Ik tenminste hoop het nog niet opgelost te hebben, want zodra je op die vraag zou zeggen: ‘Ja, ik heb het opgelost’, dan kun je ophouden met schrijven, dan is het ideale boek er. Dan is er geen reden om nog een boek te schrijven.

- Dus soos wat u werke voltooi, is daar nog altyd die idee dat dieselfde tema beter en weer op 'n ander manier bekyk kan word?

- Dat weet ik zeker, ja, en ik ben er ook van overtuigd dat een auteur maar heel weinig thema's tot zijn beschikking heeft die zo diep in zijn ziel verankerd liggen dat hij in staat is met dat thema een goed boek te maken. Daarom is journalistiek bijna altijd mislukt, omdat het maar van heel tijdelijke waarde is; omdat de journalist gedwongen is de ene dag dít, de andere dát te zeggen; allerhande dingen die verder met hem, met z'n diepste wezen, niets te maken hebben.

- As ek u reg verstaan, dan is dit tog so dat die skrywer skryf vanuit 'n soort visie van die werklikheid, van die lewe, van die universum, hoe 'n mens dit ook al wil noem. Sekerlik of waarskynlik nie-bewus kies hy al die verskillende motiewe uit, wat uiteindelik sy boek maak. Die hele oeuvre van die skrywer sou waarskynlik tot 'n klein kompleks van temas herlei kon word wat gesamentlik 'n wêreldbeskouing uitmaak.

- Dat zal wel zo zijn, of liever gezegd, dat is zeer zeker zo, maar als je natuurlijk alles er aftrekt wat er bijkomt, blijft er heel weinig over, dan wordt het een zeer simpele levensbeschouwing. Maar ik denk dat eigenlijk iedere levensbeschouwing in wezen simpel is. Het is met de schrijver zoals met muziek, laten we zeggen muziek van Bach: het thema kan op zichzelf heel simpel zijn, maar juist de

[p. 371]

variaties en de contrapuntische behandeling, die zijn belangrijk, en verlenen het geheel zwaarte. Een levensbeschouwing kunnen we er allemaal op nahouden, ook al schrijf je helemaal niet. Iedereen heeft wel een levensbeschouwing, ook al is het een ongeformuleerde levensbeschouwing. Iedereen denkt dat hij het recht heeft te leven bijvoorbeeld. Iemand die dat niet denkt, die houdt op met leven en dat is ook een levensbeschouwing. Als je van mening bent dat je op moet houden met leven, is dat ook een levensbeschouwing. Er is alleen iets oorspronkelijks op het gebied van levensbeschouwingen te zeggen door het te variëren, door het steeds op andere wijze te belichten.

- Maar is dit nie so, dat die skrywer wat met besondere insig en met 'n besondere visie op die mens en op sy ontstaan ‘geseënd’ is, dat hy die grootste moontlikheid van, soos u dit nou genoem het, variasies en kontrapuntale behandeling het en uiteindelik ook die grootste romanstruktuur kan maak? Dit gaan nie om die feit dat hy 'n lewensbeskouing het nie, maar om die kwaliteit van die skrywersvermoë, die skrywersgees, die intelligensie, wat uiteindelik tog wel bepaal wat uit daardie wêreldbeskouing as boek gemaak kan word, nie waar nie?

- Ja.

- Dus die wêreldbeskouing, plus die kwaliteit van die gemoed van die skrywer, sou 'n mens dan sê?

- Ja, ik kan daar weinig aan toevoegen.

- As u nou van variasies en kontrapuntale behandeling praat, sluit dit eintlik aan by iets waaroor ons vroeër vanmiddag gesels het. U het nog altyd van verskillende vorme - prosavorme - gebruik gemaak. Veral in Afrikaans beoefen so baie skrywers nèt die kortverhaal, ander weer nèt die roman. U het 'n hele verskeidenheid van verhaalvorme gebruik. Het die feit dat u onlangs weer drie novelles geskryf het nadat u dit eintlik laas met Het behouden huis gedoen het, te doen met 'n ander perspektief wat u spesifiek in daardie vorm wil giet, of nie?

- Nou, niet helemaal. Het gaat terug tot het allerprilste begin van mijn schrijverij, toen ik een jongetje was. Toen dacht ik dat het eigenlijk erg knap was om novellen te kunnen schrijven, en ik ben begonnen als schrijver van novellen. Een auteur, u zult nooit raden

[p. 372]

welke auteur, heeft mij eigenlijk beïnvloed. Dit was de oude Romantische Duitse auteur Theodor Storm, wiens novellen ik toen voorbeeldig vond. Die vond ik mooi toen ik een jaar of vijftien, zestien was. Toen dacht ik: zulk soort novellen wil ik ook schrijven: een verhaal van een twintig, dertig pagina's dat heel erg droevig eindigt. En, op die manier, ben ik dus begonnen. Het werd 1942, 1943, toen vond ik dat het toch iets moois moest zijn om een roman te schrijven. Dat zou ik ook eens gaan proberen. Ik had ondertussen een thema in m'n hoofd, maar aan de eerste roman die ik geschreven heb (dat is het boek Conserve) kun je eigenlijk nog zien dat het van een novellist afkomstig is, want dat heeft allemaal korte hoofdstukjes, die allemaal samenhangende verhaaltjes zijn. Het is echter helemaal als een novelle geconcipieerd: ieder hoofdstukje heeft z'n kleine pointe, en dan gaat het boek weer verder. Maar behalve dat heb ik in die tijd ook nog andere novellen ertussendoor geschreven, ja, ik ben eigenlijk voortdurend novellen gaan schrijven, maar niet zoveel. Die oudste novellen van mij... ja, ik schreef er geloof ik één of twee per jaar, want ik was toen helemaal geen beroepsschrijver, ik was een student, en van publicatie was er geen sprake door de oorlogsomstandigheden. Na de oorlog was er wel sprake van publicatie, maar het was toch wel dubieus of schrijven ooit m'n beroep zou worden. Het is ook m'n beroep niet geworden: ik heb mijn studie afgemaakt en twintig jaar als academisch docent in een heel ander vak geleefd. Ik was dus een zondagsschrijver, een amateurschrijver. Pas de laatste tien jaar ben ik een beroepsschrijver, en op de een of andere manier ben ik de novelle nooit totaal ontrouw geworden. Op een bepaald ogenblik had ik behoefte weer eens een paar novellen te schrijven. Er komt ook bij, dat ik in mijn hart vind, dat een auteur eigenlijk niet zovéél mogelijk moet schrijven, maar zo wéinig mogelijk. Het zou mijn ideaal zijn om een oeuvre na te laten dat de liefhebber van A tot Z zou willen lezen. Dat is met de meeste verzamelde werken niet het geval. De mensen zetten ze in een kast, en één of twee delen lezen ze nog lang na je dood en de rest blijft in de kast staan. Dat lijkt mij vreselijk, dus ik span me in, om het zo te doen, dat het allemaal leesbaar

[p. 373]

blijft, maar dan moet je ook niet te veel schrijven. Als je te veel schrijft, is de kans op herhaling ook te groot. Een novelle, die bepaalde spanning die dus een uurtje of anderhalf uur kan duren, stelt heel andere eisen dan een roman. In mijn hart vind ik nog steeds iemand die een goede novelle kan schrijven, knapper dan een romancier. Een romancier kan meer kanten uit. Hij kan uitweiden, en als hij dat op een vermakelijke manier doet, ook al heeft het niets met de hoofdzaak te maken, dan blijft het toch leesbaar, toch boeiend, maar dat is eigenlijk de lezer een beetje voor de gek houden. Een novelle moet tot de kern teruggebracht worden van wat er gebeurt, en dat blijf ik zeer knap vinden.

- U sê een keer van Kafka se Die Verwandlung dat dit 'n model van 'n novelle is...

- Ja, dat is het model van een volmaakte novelle.

- ... vanweë die ‘meedogenloze logica’. Maar is ‘meedogenloze logica’ nie 'n kenmerk van al u werke, en nie net die novelles nie?

- Nee, dat zou ik niet willen beweren, dat durf ik niet te beweren. Een roman als De tranen der acacia's bevat uitweidingen, die ik overigens niet zou willen missen, maar ik kan niet zeggen dat dit een boek is dat ‘meedogenloze logica’ in elkaar zit.

- En De donkere kamer...?

- Bij typische novellisten, bijvoorbeeld Guy de Maupassant, die dus in veel overwegender mate novellist waren dan ik het ben, daar merk je het. Guy de Maupassant heeft veel zeer goede verhalen geschreven, die uitstekend in elkaar zitten. Hij heeft ook een paar hele goede, nog steeds zeer leesbare romans geschreven, zoals Une vie of Bel ami. Bel ami heb ik toevallig een jaar geleden nog eens herlezen. Ik begon er 's middags om een uur of drie aan en de volgende ochtend om zes uur had ik het uit, zo spannend was het boek. Ik heb het achter elkaar uitgelezen. En toch, als je het boek neerlegt, dan denk je dat het toch typisch het boek van een novellist is. De lezer komt nergens tot rust, want de auteur houdt strak vast aan zijn logische schema, aan z'n intrige; te strak. Dat is ook niet helemaal goed. Dat is niet de állerhoogste vorm van de roman. Een van de romans, die de allerhoogste vorm van roman bereikt heeft,

[p. 374]

en die een heleboel mensen vanwege de uitweidingen - die zeer leerzaam zijn overigens - vervelend vinden, dat is Moby Dick. Dat vind ik nu een prachtige roman. En wat die punten van uitweiding betreft: het boek bevat technische hoofdstukken over de walvisvangst, enz. Het is typisch een roman van een romancier. Het is opvallend dat Melville eigenlijk nooit meer iets dat daarmee te vergelijken is, geschreven heeft.

- Dit was uniek, nè?

- Ja, dat was de enige.

- Dus, as ek u reg begryp, moet die ideale romanskrywer hier en daar ruspunte aan sy leser verskaf. Daar moet 'n sekere ritme wees.

- Ja, de lezer moet hier en daar een klein beetje kunnen wegdromen, maar het moet niet zo vervelen, dat je in slaap valt. Er moet een soort tussenspel zijn.

- Daar word omtrent veel van u skryf beweer, en ek dink met reg, dat daar hierdie baie fyn beplande of dan fyn uitgewerkte samehang is in al die dele van die roman. Dit was bv ook gisteraand in u voorlesing van Geyerstein's dynamiek baie duidelik sigbaar. 'n Eenvoudige werkswinkelvraag wat dit betref: skryf u en herskryf u veel? Ek probeer my so voorstel hoe u dit doen voor u lessenaar: hoé skryf u, wáár skryf u? Ons weet dat Hemingway staande geskryf het by 'n lessenaar, Van Wyk Louw het in 'n leunstoel met 'n plank bo-oor gesit en skryf. Graham Greene het op 'n keer vertel dat hy niks meer as ongeveer 200-250 woorde per dag, per oggend skryf nie en dan korrigeer hy dit nog met 'n bietjie lees in die middag. Hy vind dit 'n goeie dag as hy 200 woorde geskryf het. Mag ek u daaroor iets vra? Dit interesseer my op menslike vlak geweldig.

- Het is ook een heel pijnlijke vraag. Ik schrijf al sinds 1943 bijna alles onmiddellijk op een schrijfmachine, en nu op een elektrische schrijfmachine, dat is nog comfortabeler. Als ik aan een roman begin, dan heb ik altijd de illusie dat het iets verschrikkelijks is wat ik ga doen, en ik dus moet zorgen zo gauw mogelijk eraf te komen. De eerste dag zal ik bijvoorbeeld wel tien pagina's schrijven, en dan nog een paar dagen tien pagina's per dag. Dat doe ik dan allemaal in de hoop om, laten we zeggen binnen een maand, die ro-

[p. 375]

man geschreven, gecorrigeerd, en overgeschreven te hebben. Dat lukt nooit, dat is me nog nooit gelukt, maar je kunt een roman alleen afkrijgen door toch minstens per dag een pagina te schrijven, te corrigeren en te herschrijven. Maar erg veel herschrijven doe ik niet, ik doe het waarschijnlijk te weinig. Op een bepaald ogenblik kan ik niet verder, en soms schieten me pas tien jaar later, als het boek al tien jaar gedrukt onder het oog van de lezer ligt, nog belangrijke verbeteringen te binnen, die ik dan ook niet schroom aan te brengen.

- Nou 'n heel ander vraag, weg van die literatuur en meer oor die werklikheid. U het gisteraand gesê u wou praat oor die ontvangs van Geyerstein's dynamiek by die kritiek. U is tog 'n algemeen gelese outeur, dit lyk tog of daar by die leser nie 'n probleem is om te waardeer en te begryp wat die verhaal sê nie. Waaraan skryf u dan die onbegrip of die onvermoë by die kritici toe?

- Ja, uit kwaadaardigheid, en aan het feit dat een heleboel critici zelf mislukte auteurs zijn; ik weet niet welke motieven nog meer... die onzin, ik lees het vluchtig door; hele verhalen: dat was een stomvervelend verhaal, het slechtste dat ik nog ooit geschreven had. Dat is wat sommige mensen beweren. Ja, er staat nu eenmaal veel onzin in de kranten, dat kan ik ook niet helpen.

- En by ernstige lesers? Ek reken bv Fens wat Het behouden huistog heel voortreflik bekyk het en mense soos Janssen met sy boek oor u...

- Ja, dat is zeer goed, maar Janssen heeft geen kritiek op dit verhaal geschreven. Dat wil zeggen, wel persoonlijk, want ik ken hem persoonlijk.

- Maar die algemene kritiek oor u werk?

- Ja, dat is ongelofelijk. Om u een voorbeeld te noemen: toen ik 60 jaar werd, dat was in 1981, heeft een tijdschrift, genaamd Tirade, een nummer, zogenaamd ter huldiging van Hermans, uitgegeven. Dat tijdschrift wordt uitgegeven door Van Oorschot, met wie ik, zoals u weet, een langdurig conflict heb. Het was natuurlijk niet de bedoeling mij te huldigen. Er staan inderdaad zeer goede stukken in, maar dan heeft de redactie weer andere mensen aangezocht om die stukken te bestrijden. Nog sterker: er staan

[p. 376]

twee stukken in, waarvan de redactie vantevoren wist wat er in die stukken stond, nl. ten eerste een interview met mij gehouden door Raymond Benders (dat was eerst in het blad Het Parool verschenen) en ten tweede een heel goed essay van een essayist, eigenlijk een romanist, te Amsterdam, Huug Kaleis. Die Huug Kaleis had al eerder over mijn boeken geschreven en had daar grote waardering voor. Die twee stukken zijn in dat blad geplaatst op verzoek van de redactie. Een van die redacteuren was Jaap Goedegebuure van de Haagse Post. Jaap Goedegebuure heeft later in de Haagse Post geschreven: ‘Hermans kan toch niet blij zijn met de wierook van zulke figuren als Benders en Kaleis.’ Dus met andere woorden, wat heeft Goedegebuure gedaan? Een nummer gemaakt om Hermans te huldigen, daarvoor twee auteurs aangezocht, waarvan Goedegebuure achteraf dus vindt dat hun wierook mij bevuilt. Hoe haalt iemand zo iets gemeens in z'n kop; daar staat je verstand bij stil. En dat komt, dat heb ik meer opgemerkt, doordat sommige mensen die in hun jeugd mislukte literaire ambities hebben, dat trauma niet overwinnen, en ze worden daar zeer slecht van.

- Die Raster-uitgave by u vyftigste verjaardag vind ek interessanter.

- Ja, die was veel beter.

- Selfs die persoonlike artikels, soos die van Fokke Sierksma was baie simpatiek.

- Ja, die was sympathiek gezind. Hier en daar over die persoonlijke dingen hè, daar ben ik een beetje bang voor, maar het was goed.

- Heel laaste wil ek u vra, en dit is ook weer so 'n algemene vraag: u skryf in die beroemde Preambule tot Paranoia verskillende dinge, maar o.a.: ‘Soms stel ik mij een waarlijk gelukkig leven voor: mij opsluiten en dag in dag uit lezen’. Gaan dit nou makliker as daardie tyd om wel te lees?

- Al eerder heeft u gezinspeeld op of iets aangehaald uit die Preambule maar eigenlijk vormt Preambule een verhaal op zichzelf; het is dus wel in de ik-vorm, maar het is helemaal niet gezegd dat die ik, dat ik dat ben. Er staan dingen in die absoluut niet waar zijn, en andere zijn misschien gedeeltelijk waar, maar het is geen persoon-

[p. 377]

lijke bekentenis waar ik voor honderd procent achter kan staan. Het is een verhaal.

- En as u vandag sou lees, wat lees u van ander skrywers?

- Wat ik van andere schrijvers lees? O, ik lees eigenlijk haast alleen boeken waar ik bepaalde inlichtingen uit haal, maar ik lees heel weinig literatuur. Wat ik wel recent gelezen heb, dat zijn twee boeken van Etienne Leroux.

- Wat dink u daarvan?

- Deze boeken spelen natuurlijk in een wereld die mij zelfs nu, na vier dagen in Zuid-Afrika te zijn, toch nog vrij vreemd is. Het boek Magersfontein, o Magersfontein kon ik beter begrijpen dan Onse Hymie. Maar ik zal hem nog spreken, misschien kan hij het me hier en daar uitleggen.

- Na die besoek aan Sun City, voel u nie Onse Hymie reflekteer tog ook 'n realistiese wêreld nie?

- Nee, het maakt op mij de indruk een fantastische roman te zijn, maar ik vergis me misschien, ik weet het niet.

- Wat dink u van die skrywers wat deesdae die groot pryswenners is: Nobelpryswenners soos Singer in Amerika, of Milosz?

- Ik heb voor Nederland de oom van Milosz ontdekt. Een zeer grote dichter was dat: O. V. de L. Milosz, een oom van de Nobelprijswinnaar. Dat was een heel groot man. Hij was wel helemaal gek, maar hij was heel groot. Daar had niemand in Nederland van gehoord. Ik heb toevallig een bundeltje verzen van hem gevonden en die heb ik al in 1944 vertaald. Dat wil zeggen, ik heb er toen een paar vertaald, en naderhand nog een paar andere. Dat soort auteurs, die niemand kent, daar maak ik nu wel een beetje een hobby van, om daar dan extra de nadruk op te leggen, zoals deze Milosz bijvoorbeeld. De grootste moderne Nederlandse dichter vind ik Hendrik de Vries. Dat vindt verder niemand in Nederland, maar ik zeg dat Hendrik de Vries de grootste Nederlandse dichter is.

- Waarom?

- Nou, dat is geweldig, die man heeft een rijke manier van zich uit te drukken, die heeft diepzinnige rijmen. Het is weelderig, het is barok, toch niet overladen, en het is zeer suggestief. Het speelt zich

[p. 378]

helemaal af in de onderwereld van droom en bedreiging en dood, ja, schitterend is dat. Als ik een gedicht van Hendrik de Vries voorlees, dan zeggen de mensen: ‘Ja, je hebt eigenlijk gelijk’. Dan gaan ze weer weg en dan zeggen ze: ‘Nou, Hermans is gek!’

 

(getranskribeer deur Dineke van der Zwan)

terug  begin  verder