terug  begin  verder
[p. 17]

Het gelijk van Pyrrhon
Over De tranen der acacia's

Dit artikel werd geschreven in de zomer van 1971 en gepubliceerd in de winter van dat jaar. Gebruikt was de toen laatste door de auteur herziene druk van De tranen der acacia's: de derde (Amsterdam 1953); deze druk is identiek aan een aantal herdrukken in foto-offset: 1961 (tweemaal), 1966, 1968, 1969, 1970. Hermans wilde al in 1961 een nieuwe herziene uitgave verzorgen, maar een conflict tussen uitgever (Van Oorschot) en auteur verhinderde dat.23 Wel heeft de auteur een groot aantal wijzigingen aangebracht in de tekst die de basis was voor de Duitse vertaling.24 Toen tenslotte in 1970 het zojuist genoemde conflict ten gunste van de auteur opgelost werd, kon spoedig daarna, in december 1971, een ‘herziene uitgave’ van De tranen verschijnen. De roman, geheel opnieuw gezet, bleek grondig herzien, maar de structuur bleef onveranderd.25 Mijn beschouwing, gebaseerd op de vroegere versie van de tekst, kon dan ook gehandhaafd blijven. Citaten uit de roman geef ik hier naar deze laatste druk, maar ik vermeld - om het verband met de omstandigheden waaronder dit stuk geschreven is niet te verliezen - bij de verwijzingen telkens beide pagineringen (die van de drukken uit 1953-1970 gaat aan die van de editie uit 1971 vooraf).

In 1975 verscheen nog een vermomde druk, in alle opzichten - ook in de datering 1971 - gelijk aan die van 1971, met dien verstande dat bij de copyright-vermelding de aanduiding ‘W.F. Hermans, Haren (Gr)’ vervangen werd door ‘W.F. Hermans, Paris, France’, waarmee deze uitgave zichzelf verraadt, daar de auteur zich pas eind 1973 in Parijs vestigde! (Hetzelfde geschiedde met een 1972 gedateerde, maar in feite in 1977 verschenen druk van Drie melodrama's.) De vermomde druk van De tranen verscheen nog eens in 1978, in een ander omslag.

 

De roman De tranen der acacia's26 is het verhaal van Arthur

[p. 18]

Muttah. Het vertelt een aantal gebeurtenissen die zich tussen ruwweg maart 1944 en december 194527 grotendeels in Amsterdam en Brussel afspelen. Arthur Muttah probeert de omstandigheden waaronder de enige persoon die iets voor hem betekent, Oskar Ossegal, gearresteerd is, te achterhalen. Hij verdenkt zijn halfzuster Carola ervan hem verraden te hebben, maar doordat slechts tegenstrijdige gegevens hem bereiken komt hij niet tot zekerheid. Zijn onzekerheid wordt een twijfel aan eigen identiteit. In Brussel, waar hij na de bevrijding in het huis van zijn vader verblijft, vindt hij evenmin een oplossing voor zijn crisis.

Het is niet Arthur zelf die het verhaal vertelt. Een anonieme verteller beschikt over alle gegevens.28 Hij beschrijft, neemt waar, soms met de ogen van zijn personages, noteert gesprekken, geeft de gedachten van enkele personages weer; hij verdeelt de gegevens over de 370/381 pagina's die het boek telt. Hij onderbreekt soms zijn beschrijving van de loop der gebeurtenissen om de lezer informatie te verschaffen, bijvoorbeeld: ‘Het gezin, waar Arthur deel van uitmaakte, bewoonde twee gescheiden verdiepingen’, etc. (p. 27/29). Op p. 146/153 onderbreekt hij Arthurs gedachtenstroom met een toelichting die tussen ronde haken afgedrukt staat: ‘Hoe vind je het, dat Carola je er nooit iets van heeft verteld, dat zij altijd maar heeft gedaan of ze van jou hield (want Arthur twijfelde er nog steeds niet aan of Oskar had werkelijk iets met Carola gehad), terwijl ze zich liet knuffelen door die mof?’ (Carola heeft een verhouding met een Duitse deserteur). Een enkele maal loopt de verteller op zijn verhaal vooruit: ‘De dag waarop hij Gaby voor het laatst zou zien [...]’ (p. 300/310). Soms spreekt hij een oordeel uit: ‘Wat Arthur tijdens deze woorden bezielde, kon men geen hoop meer noemen’ (p. 311/321). Een gesprek dat Oskar in zijn gedachten met Arthur voert sluit de verteller ironisch af met: ‘De buitenlucht maakte een eind aan deze dialogue intérieur’ (p. 40/43). Geheel buiten zijn verhaal plaatst hij zich als hij van een liedje zegt dat alle radio's dat ‘toen’ speelden (p. 232/241). Hoewel de verteller zichzelf nergens met ‘ik’ aanduidt, is hij in gevallen als deze toch duidelijk als explicator ten opzichte van de lezer aanwezig.

Toch kan men stellen dat bladzijden lang gebeurtenissen

[p. 19]

grotendeels vanuit één van de romanpersonages beschreven worden: vanuit Oskar p. 5-20/7-22, 39-49/42-53, 90-112/95-118, 126-129/132-135, vanuit Arthur p. 21-38/23-41, 50-89/54-94, 129-195/136-203, 197-370/205-381, vanuit Carola p. 113-125/119-131, 196-197/204-205. Soms verschuift voor een enkel ogenblik het gezichtspunt en wordt een gedachte van een ander personage meegedeeld, bijvoorbeeld p. 60/65, 163/170, 246/255.

Het gevolg van deze organisatie van de feiten in de roman is dat de lezer op een ander standpunt staat dan de hoofdfiguur. De lezer is beter geïnformeerd dan Arthur.

Arthur die bemerkt dat Oskar hem over zijn illegale activiteiten dingen heeft verteld die door anderen worden tegengesproken, voelt zich door de enige persoon die iets voor hem betekent bedrogen: bijvoorbeeld p. 85/89-90, 86/91, 136-137/142-143. Hij komt in een toestand van voortdurende onzekerheid: ‘Een mier dwalend door een spons, was hij. Nooit zou hij in alle gangen kunnen komen, daartoe duurde een leven te kort’ (p. 169/177, vergelijk p. 268/277: ‘Ik weet niets van mijn leven’, etc.). Alles wat hij over Oskar verneemt, is in tegenspraak met elkaar: ‘Nooit, nooit zou hij precies weten, wat Oskar wist, dacht en voelde. En als hij dat niet wist, wist hij ook niet wat hij van zichzelf moest denken’ (p. 146/153). Hier wordt de verbinding naar zichzelf gelegd: de onzekerheid omtrent de wereld om hem heen wordt geïnterpreteerd als een onzekerheid omtrent zijn eigen identiteit. En het thema van de roman wordt volledig gegeven in de volgende gedachten van Arthur:

‘Hoe zou een Amerikaan kunnen uitvinden of Oskar een held of een lafaard is geweest? Ik weet het niet eens, en ik heb er toch vlak bij gezeten. Speeman zegt: Oskar is een lafaard; hij zegt: er zijn weinig meisjes die zulke offers hebben gebracht als Carola. Hij zegt het. Hij heeft haar kale kop nog niet gezien. Een soldaat is dapper als hij de bevelen uitvoert die hij van zijn meerderen krijgt. Maar wie kan nagaan of iemand de bevelen die hij zichzelf heeft gegeven, letterlijk uitvoert? Wie trouwens weet precies, welke bevelen hij zichzelf geeft? Wie wist precies welke bevelen hij zichzelf moest geven?’ (p. 217/225).
[p. 20]

De mededelingen die de roman verschaft over de persoon van Oskar (en daarmee samenhangend over die van Carola) bepalen mede de hoofdfiguur én het thema van het boek. Zij verdienen nauwkeuriger bekeken te worden. Hierbij moet men zich in elk geval rekenschap geven van drie zaken: 1. wie het gegeven meedeelt; 2. tot wie de mededeling gericht is; 3. de omstandigheden waarin de mededeling wordt gedaan. Ik wil hieronder de gegevens waarover Arthur de beschikking krijgt (A) scheiden van die waarvan alleen de lezer op de hoogte gesteld wordt (B).

 

A

Arthur meent aanvankelijk dat de goedhartige Oskar op verzoek van Carola, op wie hij verliefd is, ten behoeve van de illegaliteit bommen naar de Noordoostpolder transporteert (p. 24-25/26-27, 28/30, 37/39, 73/77). Dat er bommen in Oskars koffer zitten heeft hij van Oskar zelf vernomen (p. 66/70, 85/89). Hij vat verdenking op tegen Carola als hij haar ongeïnteresseerdheid in Oskars lot en haar kostbare kleren ziet (p. 36-38/38-41). Een week later deelt Carola hem mee dat Oskar gearresteerd is (p. 52/56; later, p. 167/175, vraagt hij zich af hoe ze dat wist). Hij verdenkt haar van verraad (p. 52/56, 65/70, 66/70).

Een merkwaardige episode vindt plaats bij Van der Wind, bij wie Arthur een fiets wil kopen (p. 64-69/68-73). Deze zegt hem dat hij lijkt op een zekere juffrouw Anderson; bovendien herkent Arthur in diens huis Carola's handdynamo (Van der Wind en Zwikker, zijn schoonvader, geven verschillende verklaringen, p. 65/69, 70/74). Arthur slaagt er niet in zijn mededeling over Oskars arrestatie en Carola's Duitser tegenover enkele leden van een verzetsgroep (door Van der Wind bijeengebracht) waar te maken. Hoewel hij Van der Wind niet vertrouwt (p. 86/91), drijft hij later (zwarte) handel met hem (p. 160/167, 179/186).

Thuis treft Arthur de minnaar van zijn halfzuster, de Duitser Ernst, die zegt gedeserteerd te zijn en Oskar te willen helpen; hij dwingt Arthur te vertrekken (p. 72-76/76-80). Arthur brengt Andrea op de hoogte van de arrestatie van haar man Oskar (p. 80-81/84-85). Zij vertelt hem op onduidelijke wijze haar visie op de gebeurtenissen rond Oskar (p. 82-86/86-90): door

[p. 21]

Carola is Oskar in een verzetsorganisatie terechtgekomen; zij was secretaresse geweest van een S.D.-officier die zij had bespioneerd; deze nu moest uit de weg geruimd worden; Ernst (een spion) had het zo georganiseerd dat Oskar deze vermoordde; hij moest daarop vluchten. Arthur bemerkt dat Carola inderdaad op een ander adres bereikbaar was dan ze altijd opgegeven had (p. 83/88). Hij voelt zich door Oskar verraden (p. 85/89-90, 86/91, 89/94) en begint een verhouding met Andrea (‘de schadeloosstelling voor Oskar's verraad’, p. 89/94).

Als Oskar, bevrijd uit de gevangenis, thuiskomt,29 vraagt Arthur zich af door wiens invloed hij losgekomen is, die van Ernst?, die van Carola? (p. 131/137). Oskar zegt Arthur vanzelf weer vrijgelaten te zijn (p. 133/139; over de omstandigheden waaronder deze uitspraak gedaan is, zie hieronder). Hij zegt geen Duitser vermoord te hebben en niet gevlucht te zijn; hij heeft alleen een Duits uniform weggebracht voor een knokploeg (p. 141/147). Arthur voelt zich overgeleverd aan de onzekerheid (p. 146/153, 156/163).

Proost, die Arthur al van vroeger kent (p. 22/24, 26/28, 53/57, 150/157), vertelt hem een derde visie op de gebeurtenissen (p. 162-167/169-174): Oskar is door ‘ons’ bevrijd; hij is een held en heeft, toen Speeman, een heel belangrijk man in de illegale beweging, door een S.S .-officier in het nauw gebracht werd, de S.S.-officier gedood.

Op de dag ná de bevrijding doodt Arthur half met opzet Ernst (p. 187/194). Carola komt kaalgeknipt en besmeurd met rode menie thuis (p. 188-189/196). Zij ontkent tegenover Arthur Oskar tot moord op een Duitse officier aangezet te hebben; noch zij noch Ernst hebben Oskar verraden (p. 198-199/ 206-207).

Speeman, die Arthur van vroeger kent (p. 66/70), geeft een vierde visie op de gebeurtenissen (p. 213-215/221-223): Carola is een heldin, heeft veel voor de illegaliteit gedaan; hij heeft haar van begin 1942 tot begin 1944 meegemaakt; Oskar is een lafaard en een verrader; Proost is een fantast. Arthur neemt Speemans visie met betrekking tot Oskar over (p. 215/223, 220/229, 334/344, 339/349, 347/357).

[p. 22]



illustratie
De Wolkenkrabber te Amsterdam, zie noot 29.
(Foto R.H. Herwig. Gemeentelijke Archiefdienst Amsterdam.)


[p. 23]

Als hij een half jaar later, na de Brusselse episode, weer in Amsterdam komt, hoort hij van Andrea (p. 338-341/348-352) dat Oskar na de bevrijding gearresteerd is om dezelfde reden als waarom hij door de Duitsers gepakt was; Oskar vraagt voortdurend naar Arthur, meent dat deze hem kan helpen; Carola heeft Andrea gezegd dat Arthur van alles op de hoogte is, hij weet waar Ernst is, want alleen Ernst kan redding brengen.

Tegen het einde van het boek meent Arthur in Brussel op een feestje zijn halfzuster te herkennen (p. 353/363).

 

B

Dit zijn de gegevens waarover Arthur beschikt. De lezer echter weet meer. Hij is de enige getuige van een op dat moment van het boek (p. 28-29/30-31) moeilijk interpreteerbaar gesprek tussen Carola en haar grootmoeder. ‘[...] de lastigste ben je nu kwijt, misschien gaat hij weldra over’, zegt de grootmoeder, waaruit de lezer kan opmaken dat Oskar gearresteerd is (of hij door Carola of door Ernst of door beiden verraden is, is hieruit niet met zekerheid op te maken); de uitdrukking ‘overgaan’ betekent bij deze spiritiste (zie p. 27/30) sterven. Tevens blijkt Carola een verhouding te hebben met een Duitser, Ernst, wiens leven om een voor de lezer niet duidelijke reden gevaar loopt; zij zegt alles van hem te weten. ‘Hij zal geen rust vinden voor hij jou gehoor geeft’, zegt de grootmoeder, en pas later kan de lezer hier iets mee doen (zie hieronder). Carola spreekt haar vrees uit dat Arthur, Oskars beste vriend, haar zal verraden.

Uit een weergave van Oskars gedachten (p. 40/43) weet de lezer dat hij inderdaad op Carola's verzoek een Duits officiersuniform naar Emmeloord brengt (vergelijk p. 91/96, 141/147). De verteller deelt mee dat Oskar gearresteerd wordt; in een van zijn koffers vindt de Duitse politie een uniform van een S.S.-officier (p. 49/53).30 Oskar neemt aan dat de mensen aan wie hij het uniform had moeten afgeven, ook gearresteerd zijn (p. 105/111).

In de gevangenis waar Oskar verblijft verdenkt Karel, die zegt wegens aanslagen op Duitsers ter dood veroordeeld te zijn, hem ervan een provocateur te zijn (p. 101-102/107, 109-110/115), zoals de lezer weet: ten onrechte.

[p. 24]

Een andere celgenoot, Sörensen, is ook voor de lezer mysterieus (p. 94-108/99-114); hij is op de hoogte van een bevrijdingspoging. Bij toeval wordt Oskar door een verzetsgroep bevrijd (p. 112/117, 133/139). De lezer kan vaststellen dat zijn arrestatie na de bevrijding (p. 338/348) ten onrechte geschied is.

Verschillende malen noteert de verteller de gedachten van Carola. Zij denkt over een vlucht naar Spanje of Argentinië, mét Ernst (p. 114/120, vergelijk 116/122-123, 121/127). Over Ernst denkt zij:

‘Zij was het geweest die Ernst verhinderd had te vluchten. Hij had allang moeten vluchten. Wie twijfelde er nog aan dat de oorlog verloren zou worden? Niemand zou hem accepteren als deserteur. Daarvoor wisten ze in het andere kamp veel te veel van hem’ (p. 116/122).

Bij het zien van met rugzakken beladen, naar het station vertrekkende N.S.B.'ers (het is augustus 1944) denkt ze: ‘Daar gaan zij [...] daar gaan de mensen die de enigen zijn die mij kunnen redden. Want dat de andere partij haar vernietigen zou, zij twijfelde er niet meer aan’ (p. 123/129). Ernst is dus inderdaad een deserteur, maar over zijn motieven verkeert de lezer in het onzekere. Maar over Ernst wordt nog meegedeeld dat hij een intrigant is en een verrader: ‘Iedere verantwoordelijkheid die hem werd toevertrouwd, was als een fiche waarmee hij kon spelen in het spel van het verraad. Maar hij kon op het laatst de kleuren van de kaarten, waarmee hij speelde, niet meer onderscheiden’; hij was van het komplot tegen Hitler op de hoogte (p. 123/129).

De figuur van Proost is ook voor de lezer onduidelijk: Arthur weet dat hij drie dagen in Amersfoort gevangen heeft gezeten (p. 162/169); op de dag na de bevrijding ziet hij hem in een B.S.-uniform (p. 184-185/192). Zijn tot Arthur gericht verhaal over de bevrijding van Oskar klopt niet met wat de lezer kan opmaken uit het briefje dat deze in de gevangenis ontvangt (dat overigens niet voor hem bestemd is); Proost heeft het over de bevrijding van gevangenen uit een konvooi vrachtauto's (p. 163/170), terwijl het briefje expliciet meedeelt dat alleen de laatste auto overvallen zal worden (p. 108/114, vergelijk 112/117). Proosts mededeling aan Arthur dat Speeman naar Engeland ge-

[p. 25]

vlucht is (p. 167/174), wordt door deze tegenover Arthur bevestigd (p. 213/221).

De figuur van Speeman is voor de lezer even weinig duidelijk als voor Arthur. Uit Oskars gedachten (p. 40/43) blijkt dat hij en Carola contact met hem hadden. Speeman brengt mij echter op een spoor: tegenover Arthur tekent hij Carola als een heldin van het verzet; hij zegt daarbij: ‘Van '42 tot begin '44 heb ik haar meegemaakt [...] maar het was geweldig wat zij durfde’ (p. 214/222; Arthur had hieruit de conclusie kunnen trekken die ik hieronder maak; hij doet dat expliciet niet, zie p. 217/225, hierboven geciteerd). Aan het begin van dit stuk schreef ik dat een reconstructie van de tijd in de roman het begin daarvan op ongeveer maart 1944 stelt. Tot de gedachten van Carola bij het zien van de vertrekkende N.S.B.'ers (p. 123/129, hierboven geciteerd) behoort ook nog: ‘Zij behoorde niet tot degenen [namelijk de N.S.B.'ers], die zij zó had gehaat, dat zij haar leven had geriskeerd om hen te bestrijden’. Uit Arthurs gedachten blijkt dat hij in het begin van de roman zijn halfzuster als werkzaam in het verzet ziet (p. 25/27, 27/29). Men kan deze gegevens combinerend concluderen dat Carola tot begin 1944 in het verzet heeft gezeten, in de groep waartoe ook Van der Wind, misschien ook Zwikker (na de bevrijding passeert Carola omzichtig diens huis, bang gezien te worden, p. 197/205) en Speeman (‘had Speeman niet al eens iets over een rijwielheler losgelaten?’, denkt Arthur, p. 66/70) behoorden.

Een reconstructie van de gebeurtenissen is dan als volgt. Begin 1944 heeft Carola een verhouding met Ernst; deze komt door zijn intriges en verraderspraktijken in moeilijkheden; in een conflict met een Duitse officier doodt hij hem. Hij vlucht niet, maar duikt op haar aandringen bij Carola onder (p. 116/122, 121/127), die overal van op de hoogte is (p. 116/123, 121/127, 29/31). Zij maakt gebruik van de verliefdheid van Oskar en laat deze goedhartige31 man met het uniform van de vermoorde verdwijnen, zo de verdenking van Ernst afleidend. Mogelijk is ook dat Carola ten opzichte van Oskar in goed vertrouwen handelde en dat Ernst Oskar verraden heeft. Het is mogelijk dat Carola bij Ernst probeert te bereiken dat Oskar vrijgelaten wordt. Met deze

[p. 26]

reconstructie kan ik de moeilijk interpreteerbare gegevens uit het gesprek tussen Carola en haar grootmoeder (p. 28-29/30-31, zie hierboven) begrijpen.

In deze reconstructie zijn de mededelingen van de verteller over de gedragingen en de gedachten van Oskar en Carola hoger gewaardeerd dan de visies van Proost en Speeman. Proost formuleert zijn mededelingen op een inside-informatie-toon; hij wil de indruk vestigen een ruige verzetsman te zijn (p. 161-167/168-174); hij suggereert aan de bevrijding van Oskar deelgenomen te hebben (p. 163/170). Maar wat hij zegt is uit de tweede hand en bovendien aangevuld met eigen fantasie, zoals de lezer kan vaststellen.32 Speeman spreekt op een rustige, verzekerde toon; hij is de verzetsman voor wie de zaken duidelijk zijn. De visie van Andrea neemt een bijzondere positie in; wat zij zegt over Ernst klopt, zoals de lezer bemerkt. Omdat zij met geen van de andere romanpersonages in contact staat (behalve aan het eind van het boek, p. 339/349), moeten haar gegevens van Oskar afkomstig zijn, maar deze kan heel goed haar niet zijn hele waarheid verteld hebben. Noch de gedachten van Andrea, noch die van Proost en Speeman worden door de verteller meegedeeld.

Dit alles is echter niet meer dan een poging tot reconstructie van een lezer: de roman verschaft te weinig gegevens om alle vaagheden en dubbelzinnigheden met zekerheid op te lossen. Opgemerkt moet nog worden dat deze reconstructie in verband gebracht kan worden met een variant in de editie uit 1971. In deze herziene uitgave van De tranen is aan het eind een halve bladzijde (p. 349-350) ingevoegd,33 waarin Arthur tegenover Andrea zijn visie op het gebeurde geeft: Carola, die de S.S.-man Ernst moest inpalmen voor haar illegale werkzaamheden, is verliefd op hem geworden en kon haar taak niet meer uitvoeren; Ernst heeft Oskar laten arresteren; pas toen hij inzag dat Duitsland de oorlog zou verliezen, is hij gedeserteerd en heeft hij illegalen geholpen.

 

Het romanprocédé waardoor de lezer ook geïnformeerd wordt over zaken waarvan Arthur niet op de hoogte is, vertoont voor de lezer een dubbelaspect. Enerzijds volgt hij Arthur naar diens

[p. 27]

crisis van onzekerheid, ook over de eigen identiteit; anderzijds wordt het de lezer, dank zij zijn bredere informatie, duidelijk waaróm Arthur er niet in slaagt de ander en zichzelf te leren kennen: tussen de feiten en de hoofdfiguur liggen een aantal obstakels. Beoordelingsfouten (bijvoorbeeld bij Speeman, die over de situatie vóór begin 1944 spreekt), door fantasie vermomde onkunde (bijvoorbeeld bij Proost), moedwil (bijvoorbeeld bij Carola) en misverstand (bijvoorbeeld bij Andrea) maken het Arthur onmogelijk de werkelijkheid te leren kennen; ieder geeft tegenover hem bewust of onbewust of beide zijn eigen beeld en laat dat voor de waarheid doorgaan.

Men kan Arthurs zegslieden in twee groepen verdelen. Oskar en Carola vormen samen de eerste groep: zij zijn als direct-betrokkenen op de hoogte, zij kennen een gedeelte van de waarheid, maar om verschillende redenen vertellen zij Arthur óf een fragment van wat zij weten óf leugens. Tot de tweede groep behoren Proost, Speeman en Andrea: zij zijn als niet-betrokkenen zeer onvolledig op de hoogte, zij beschikken slechts over enkele fragmenten en scheppen hieruit hun eigen waarheid. Al deze personages, of zij nu de waarheid (voor een deel) bezitten of niet, of zij nu (bewust of onbewust) bedriegen of niet, kunnen, gehinderd door hun denken en hun psychologie, Arthur slechts wat segmenten verschaffen, die deze, bovendien eveneens gehinderd door de beperktheden van zijn denken en zijn psychologie, niet tot een geheel kan passen.

Een voorbeeld van een psychologisch misverstand ontmoet men in het gesprek dat Arthur met Oskar heeft na diens terugkeer uit de gevangenis:

‘“Hebben ze je zo maar vanzelf weer losgelaten?”
“Ja, o ja...” zei Oskar, denkend: zou Arthur eigenlijk al gehoord hebben, dat ik per abuis ben bevrijd?
Waarom hebben ze je dan eigenlijk nog gepakt? wilde Arthur nog vragen, maar hij bedwong zich. Het was het beste van de hele illegale zaak geen notitie meer te nemen’ (p. 133/139).

De lezer weet dat Oskar geen enkele reden heeft zijn vriend te bedriegen. Dat hij hem onvolledig en bovendien onjuist ingelicht heeft over zijn illegale activiteiten komt dan ook niet voort uit

[p. 28]

een opzet tot bedrog, maar uit zijn persoonlijke psychologie (hij is een wat goedige man die zich niet steeds bewust is van zijn motieven, van zijn woorden en daden en van de gevolgen daarvan) en uit de algemene psychologie (de mensen zijn überhaupt niet in staat hun doen en laten in een helder schema te brengen en aan anderen over te dragen). Oskar heeft Arthurs reactie niet voorzien: deze eenzame jongeman voelt zich door de enige persoon die iets voor hem betekent bedrogen, en zijn wereld stort ineen. Op Arthurs vraag hoe hij uit de gevangenis ontkomen is, antwoordt zijn vriend wederom met een leugen. Men kan bij dit antwoord de volgende overwegingen maken.

- Oskar heeft ook hier geen enkele reden zijn vriend te bedriegen.

- Wederom sluit hij zijn vriend buiten zijn wereld, wederom niet beseffend wat hij in de op dit punt gevoelige Arthur teweegbrengt.

- Hij liegt niet bewust, maar kiest de gemakkelijkste weg en laat zijn aarzelend antwoord aansluiten op de formulering van de vraag: het antwoord wordt deze man, die zich voortdurend door de gebeurtenissen laat meenemen in plaats van zich bewust actief op te stellen, eigenlijk in de mond gelegd. Eerder heeft Oskar op een vergelijkbaar geformuleerde vraag van Arthur eveneens met een leugen geantwoord, en later constateert hij hierover: ‘Hij heeft mij die woorden zelf in de mond gelegd’ (p. 42/45).

- Oskars antwoord wordt ook beïnvloed door zijn gevoel van schaamte over zijn bevrijding, die, zoals de lezer weet, inderdaad voor een ander bedoeld was. Op p. 110-112/116-118 is deze bevrijding beschreven en deze passage eindigt met Oskars gedachte: ‘ik ben te bang om niet blij te zijn als ik de gelegenheid krijg te ontsnappen’.

- Tenslotte: Oskar heeft geen zin om over de zaak veel te zeggen. Hij is geen verzetsheld, hij is door toeval in een actie terechtgekomen, en het enige wat hem nu interesseert is veilig met zijn vrouw en zijn voorraad aardappelen de oorlog door te komen. Hij wil van de zaak af.

Bij Arthurs reactie op dit antwoord kan men de volgende overwegingen maken.

[p. 29]

- Hij is teleurgesteld in Oskars aarzelend antwoord. Hij had meer verwacht, had verwacht dat zijn vriend hem weer in zijn wereld zou toelaten, het bedrog zou opheffen, zijn crisis zou helpen overwinnen.

- Toch vraagt hij niet verder. Oskar heeft zojuist geconstateerd dat Arthur tijdens zijn gevangenschap een verhouding met zijn vrouw gehad heeft. Bovendien voelt hij zich door Oskars antwoord opnieuw buitengesloten. In deze omstandigheden heeft hij geen zin meer op de zaak in te gaan. Overigens houdt Arthur als hij met iets bezig is voortdurend halverwege op.

- Uit het directe vervolg van de hierboven geciteerde passage blijkt dat Arthur zijn zwijgen ziet als een wraakneming op Oskar: hij hoopt dat deze verontrust zal worden door zijn gebrek aan belangstelling; een vergissing, zoals spoedig duidelijk wordt.

- Als Arthur kort daarop van Proost hoort dat Oskar door verzetsmensen is bevrijd, breekt de onzekerheid weer in hem los (p. 162-163/169-170, 168/175-176).

- Arthurs crisis blijft onopgelost en zal de hele roman voortduren.

Van de mededelingen die Andrea hem doet, ontgaat Arthur een groot deel, deels omdat hij te onrustig is om alles te kunnen opnemen (hij komt namelijk plotseling tot het inzicht dat Oskar hem bedrogen heeft, p. 84-85/89-90), deels omdat haar onbeholpen denktrant en taalgebruik het moeilijk maken haar te volgen (p. 84/89, 339/349).

De taal als oorzaak van misverstand speelt op enkele plaatsen in het boek een rol. Tijdens een twistgesprek met Carola in het begin van de roman zegt Arthur:

‘“Of ik aan je gezicht niet zien kan dat je Oskar bedriegt... En anders zou ik het aan je kleren wel kunnen zien.”
“In welk opzicht bedrieg ik Oskar?”
“Omdat je bezig bent het met een ander aan te leggen.”
“En wat zou dat? Wat voor verplichtingen heb ik aan Oskar?”’ (p. 37/39).

Zij vraagt hem verduidelijking van de term ‘bedriegen’: hij kan denken aan een verhouding met een ander óf het oog hebben op een verraad aan de Duitsers (de opmerking over de kleding kan

[p. 30]

in beide gevallen geïnterpreteerd worden); uit zijn antwoord blijkt het haar dat hij het eerste bedoelt, tot haar geruststelling, want zoals de lezer weet (p. 28-29/30-31) is zij op zijn minst op de hoogte van Oskars arrestatie.

En zo gaat het voortdurend in de roman; voortdurend worden er poly-interpretabele mededelingen gedaan, waar de personages slechts één interpretatie waarnemen. De personages hebben geen inzicht in de intenties van eigen woorden en daden en ook niet in die van anderen. De interpretatie van elkaars woorden en daden berust slechts op gebrek aan gegevens en aan mogelijkheden, op onjuiste gegevens, op vergissingen en verkeerde berekeningen, op moedwillig bedrog en op onontkoombaar misverstand, zodat de wereld voor de mensen één grote chaos van verwarringen en misverstanden is. In die omstandigheden is geen sprake van de mogelijkheid tot zinvolle communicatie tussen mensen, van de mogelijkheid om objectieve kennis te verwerven. Het thema van de roman kan men dan omschrijven als: de onkenbaarheid van de mens. Men kan de ander, de wereld, zichzelf niet kennen; alle kennis van de mens berust op een subjectieve interpretatie van een aantal toevalligheden.34

De situatie in Nederland in de oorlog is uitermate geschikt om als decor te dienen voor de wereld waarin én Arthur én de lezer hun zekerheid omtrent de dingen verliezen. Juist die wereld van illegaliteit, verraders, provocateurs, geheimhouding, schuilnamen, vaagheden, geruchten, fantasieën en bedrog (verwisseling van verzets- en privé-doeleinden) is exemplarisch voor het wereldbeeld dat de roman toont. Het milieu waarin de gebeurtenissen zich afspelen is zeer functioneel.

De gekozen vertelsituatie van de roman en het decor waartegen de gebeurtenissen zich afspelen ondersteunen het thema van de roman: de onkenbaarheid van de mens.

 

In het bovenstaande heb ik de roman verengd tot een onderzoek naar één aspect: de mededelingen over Oskar en Carola en wat die in Arthur teweegbrengen. Andere aspecten laat ik hier buiten beschouwing. Er zij hier slechts gewezen op het psychologisch schema van de relaties tussen de personages: de broer-zus ver-

[p. 31]

houding, de rol van de vader, de vriend als vervangende vaderfiguur en als mededinger.35 In verband met dit laatste nog een interessant detail. Op het moment dat Arthur, half per abuis, enkele dagen na de bevrijding Ernst vermoordt, leest men: ‘“Voor koningin en vaderland” speelden ze beneden. [...] Moet ik de politie halen en vertellen wat er is gebeurd, zodat ze mij op de lijst kunnen zetten voor een ridderorde?’ (p. 187-188/194-195). Het lied en de vermelding van de ridderorde worden functioneel als men zich voor de geest haalt dat Arthur een stuk eerder in de roman tot het inzicht is gekomen dat Oskar het verzoek van Carola om voor de illegaliteit te gaan werken slechts opvolgde omdat hij daarvoor met haar liefde beloond werd: ‘de vaderlandslievende martelaar! Als de koningin terugkomt, staat Oskar blootshoofds en snikkend op de Dam en krijgt een medalje op z'n jas gespeld’, denkt Arthur dan (p. 136/143; cursivering van mij); overigens weet de lezer dat Arthur ten onrechte meent dat Oskar een Duitser heeft gedood. Arthur overtroeft de gehate vriend en verzetsheld door, zij het dan ná de bevrijding, half met opzet en overigens totaal niet in het verzet geïnteresseerd zijnde, een Duitse deserteur te doden. De vermelding van de coïncidentie van deze moord met de woorden koningin, vaderland en ridderorde maakt dat deze, mits p. 136/143 erbij betrokken wordt, functioneel wordt, en omgekeerd krijgt de eerste vermelding nu betekenis: Arthurs moord op de Duitser staat niet los van zijn verhouding tot Oskar, van het zich losmaken van de band met de vriend om zich in een chaotische wereld vol onzekerheden staande te kunnen houden.

Eén aspect in verband met de functie van de vader verdient hier nog aandacht, omdat dit nauw samenhangt met het hierboven aangeduide thema van de roman. Op het eerste gezicht vallen de gebeurtenissen in Brussel buiten Arthurs identificatie-crisis. Hij vlucht naar Brussel om aan een arrestatie wegens moord op Ernst te ontkomen. Zijn definitief vertrek naar Brussel vindt echter plaats kort na de hierboven geciteerde passage waarin hij de verbinding legt van de onzekerheid omtrent Oskars identiteit naar die omtrent zichzelf (p. 217/225). Het is duidelijk dat Arthur naar zijn vader in Brussel gaat in de hoop daar

[p. 32]

zijn identiteitscrisis op te kunnen lossen: ‘Deze man was zijn vader! En hij was zijn zoon! Nergens anders om was hij naar Brussel gekomen dan om een vader te vinden. Hij had het bereikt. Op het nieuwe paspoort zou hij moeten heten zoals zijn vader heette!’ (p. 317/327).36 Zijn plan dienst te nemen om in de Stille Oceaan te gaan vechten is een wanhopige poging zichzelf een identiteit te verschaffen. Als het paspoort dat hij krijgt niet de naam van zijn vader draagt, maar die van een omgekomen jood, verhevigt dit zijn crisis: ‘Ik ben niemand meer, dacht hij, ik ben iemand die helemaal niet bestaat’ (p. 319/329). Wanneer dan bovendien zijn vader weigert hem iets over zijn moeder mee te delen (p. 362/372) en Alice, de echtgenote van zijn vader, de enige in de roman die voor hem openstaat, overlijdt, stort Arthur ineen. Alice ligt opgebaard bedolven onder acacia's (p. 365/375): Arthur beseft eeuwig37 te zullen zwerven zonder kennis van zijn eigen ik, een wandelende jood (vergelijk p. 369/380, 319/330). Het sap uit de acacia staat voor de tranen van Arthur; de boom gaat dood aan vochtverlies, Arthurs huilen betekent een doodbloeden (p. 370/380-381, vergelijk p. 280/289, 342/352).38

Toen ik zojuist het thema van De tranen omschreef als dat van de onkenbaarheid van de mens, heb ik tegelijk een hoofdelement aangegeven van het wereldbeeld dat Hermans in zijn gehele werk, met inbegrip van het essayistische, toont.39

Dit thema speelt een rol in zijn eerste roman Conserve,40 en men ontmoet het in zijn essayistische proza uit de jaren waarin De tranen werd geschreven. In een stuk over de toelaatbaarheid van dichterlijke vervalsing van de officieel overgeleverde historie, valt hij het beeld van de objectieve, waarheidsgetrouwe historie aan; hij noteert dan onder meer: ‘geen mens beleeft hetzelfde eender als een ander’ en besluit met de verzuchting: ‘over hun eigen intenties verkeren zelfs de levenden in het onzekere’.41 In een ander stuk uit deze periode zegt hij dat het onmogelijk is alles waaruit een mens bestaat weer te geven: ‘Daarom is dit zoeken naar een ego het grijpen met één hand in een zak graan’.42

[p. 33]

De onkenbaarheid van de mens is ook het hoofdthema van de roman De donkere kamer van Damokles.43 Henri Osewoudt, de hoofdpersoon, ontmoet op de eerste oorlogsdag de luitenant Dorbeck, in uiterlijk zijn evenbeeld, in karakter zijn tegenpool. Door hem raakt hij in het verzet betrokken; hij voert blindelings diens opdrachten uit, menend eindelijk een identiteit verworven te hebben. Na de bevrijding wordt hij gearresteerd; men verdenkt hem ervan een dubbelspion geweest te zijn. Dan, op ongeveer drievierde van de roman, beginnen de verhoren. Het blijkt dat het verleden niet meer te achterhalen is. Osewoudt kan zichzelf en zijn daden niet bewijzen. De enige die zijn identiteit kan waarmaken, zijn opdrachtgever Dorbeck, is onvindbaar, is misschien een provocateur of verrader geweest, of heeft misschien niet eens bestaan. Getuigen zijn omgekomen of onvindbaar, gegevens ontbreken of worden op meer dan één wijze geïnterpreteerd, argumentaties kloppen niet, het bedrog speelt zijn rol: de waarheid blijft verborgen. In de gegeven omstandigheden kan men niet uitmaken of Dorbeck werkelijk bestaan heeft, wie of wat hij is, en dus kan men niets bewijzen omtrent Osewoudt. Men komt slechts tot mogelijkheden, tot theorieën, niet tot zekerheden, al houdt elk personage zijn opvatting voor de waarheid. De roman toont met de middelen van de literatuur dat de werkelijkheid van de mens en van zijn geschiedenis onkenbaar is 44

Ik meen dat De donkere kamer zó gelezen moet worden. Elke poging van de lezer om op grond van de gegevens die de roman hem meedeelt te bewijzen of Dorbeck bestaan heeft of niet, mislukt; de werkelijkheid van de mens is niet te achterhalen. De opvatting van D. Betlem dat Dorbeck een hallucinatie is van een geesteszieke Osewoudt moet dan ook verworpen worden.45 Omgekeerd laten de gegevens in de roman ook niet toe dat men een werkelijk bestaan van Dorbeck kan bewijzen.46 Welke constructie men ook kiest, geen enkele kan overtuigend bewezen worden. Men kan zijn mening hebben, en verschillende meningen (behalve die van Osewoudt onder meer die van de Duitse politie, van de Nederlandse politie, van de psychiater, van zijn oom) worden in de roman gedemonstreerd, maar bewijzen

[p. 34]

kan men niets. De organisatie van de roman is zodanig dat de lezer tot déze conclusie gedwongen wordt: de mens is onkenbaar, men kan niets over hem bewijzen.

 

Na het bovenstaande is het duidelijk dat thema én verhaal van De tranen en van De donkere kamer identiek zijn.47 Arthur, wanhopig op zoek naar de identiteit van Oskar en naar die van zichzelf, is een voorloper van Osewoudt. Een belangrijk verschil tussen beide romans vloeit voort uit het verschil in verteltechniek, in het gezichtspunt waaruit de lezer het verhaalde meegedeeld wordt.

In De tranen is de verteller, zoals ik in het begin van dit stuk heb uiteengezet, de alwetende instantie, die gegevens van geheel verschillende aard over de pagina's van het boek verdeelt; hij toont de gebeurtenissen gezien vanuit verschillende personages en voegt daar soms zijn eigen mening aan toe; het kader van de lezer is breder dan dat van de hoofdpersoon en hij kan dan ook diens interpretaties van buitenaf bekijken en een aantal onjuistheden daarin aanwijzen. In De donkere kamer is de verteller in de huid van de hoofdpersoon gekropen en hij houdt zich strikt48 aan deze beperking: alleen gebeurtenissen waarvan Osewoudt getuige is worden meegedeeld, alleen zijn gedachten worden genoteerd. De verteller en de hoofdpersoon vallen echter niet samen: het boek is in de hij-vorm geschreven; de verteller is een instantie die van het doen, waarnemen en denken van de hoofdpersoon op de hoogte is en daarvan een verslag opstelt: de roman.

Dit verschil in verteltechniek van beide romans heeft een belangrijk gevolg. Vertoonde de organisatie van De tranen een dubbelaspect (de lezer die Arthurs crisis volgt, maar er tegelijk boven staat), in De donkere kamer is het blikveld van de lezer gelijk aan dat van Osewoudt, zodat de lezer zich een verificatie-mogelijkheid ziet ontsnappen. Van de identificatie van lezer en romanfiguur wordt hier een bijzonder knap gebruik gemaakt: Osewoudt loopt vast in het besef zichzelf niet te kunnen bewijzen en de lezer volgt hem; het thema van de roman wordt de lezer in de schoenen geschoven. Door, ten opzichte van De

[p. 35]

tranen, de techniek van de roman te wijzigen, wint het thema aan zeggingskracht. Ik geloof dat men in dit licht Hermans' uitspraak: ‘Ik vind mijn latere boeken [bedoeld is: ná De tranen] technisch beter, economischer geschreven’49 kan zien.

Na wat ik hierboven schreef over de verwantschap in thema en verhaal en over het verschil in organisatie tussen De tranen en De donkere kamer kan ik de eerstgenoemde roman een voorstudie voor de tweede noemen. De auteur heeft eens opgemerkt: ‘de kern van het Damokles-idee is [...] al in mijn tweede roman De tranen der acacia's te vinden’.50 Hij zegt dan ook: ‘Ik behoor tot die soort schrijvers die altijd hetzelfde boek schrijven’.51 ‘Het boek dat Pyrrhon nooit schreef’, zou men daaraan toe kunnen voegen.52

23Zie over dit conflict ‘Varianten in orde en chaos’, hieronder p. 58-63; in verband met De tranen der acacia's zie van de aldaar in noten genoemde bronnen vooral: Hermans in het interview van Freddy de Vree (zie noot 16), p. 277-278.
24Die Tränen der Akazien. Autorisierte Uebersetzung von Jürgen Hillner (Darmstadt 1968); zie hierover Martin Hartkamp, ‘De tranen der acacia's in Duitse versie’, in Nieuwe Rotterdamse Courant 30 november 1968.
25Vgl. Hermans in het interview van Freddy de Vree (zie noot 16), p. 278-279.
26Geschreven (blijkens mededeling aan het eind) 16 mei 1946 - 4 januari 1948; grotendeels gepubliceerd in Criterium in 1946 en 1947; de eerste druk verscheen in 1949.
27De roman vermeldt op enkele plaatsen historische feiten: zo bijvoorbeeld p. 115/121: de invasie in Normandië (6 juni 1944); p. 177/184: de dood van Hitler (30 april 1945). Andere tijdsaanduidingen als ‘de volgende dag’ (p. 179/186), ‘al vier maanden’ (p. 113/119) volgend kan men een tijdschema van de verhaalde gebeurtenissen opstellen, al komt men een enkele maal niet uit.
28Voor literatuur over verteltechniek zie hieronder noot 57.
29Hij woont in de zgn. Wolkenkrabber te Amsterdam. Vgl. Wolkenkrabber. Het beste uit een jaar mysterie 1971-'72 (Amsterdam 1972), p. (24-25).
30In de visie van Andrea (p. 83/88, 85/89) is sprake van een S.D.-officier; Proost (p. 166/173) spreekt van een S.S.-officier.
31Op Oskars goedhartigheid wordt herhaaldelijk gezinspeeld: p. 24/26, 40/43, 52/56-57, 53/57, 107/112, 109/114, 126/132, 137/143-144, 141/147, 167/174, 168/175.
32Hermans merkt in het interview van Hans Sleutelaar en Piet Calis uit 1962, in Scheppend nihilisme (zie noot 3), p. 43, op: ‘De mensen die ik in de oorlog ontmoette, die lieten doorschemeren in het verzet te zijn, waren voor vijftig procent grappenmakers. De meeste verzetshelden kwam je pas na de oorlog tegen. Proost in De tranen der acacia's is het type verzetsman dat ik in die jaren ontmoette’.
33Deze passage was al eerder in de Duitse vertaling van De tranen opgenomen, zie noot 24, p. 384.
34In het interview van G.H. 's-Gravesande (zie noot 7), p. 35, zei Hermans naar aanleiding van De tranen: ‘Ik heb er de nadruk op gelegd dat iemands voorstellingen in geen verhouding staan tot de werkelijkheid’.
35Zie hierover Hella S. Haasse, ‘Doodijs en hemelsteen’, in idem, Zelfstandig, bijvoeglijk (Amsterdam 1972), p. 122-124 en Michel Dupuis, Eenheid en versplintering van het ik. Een onderzoek naar thema's, motieven en vormen in verband met de problematiek van de enkeling in het verhalend werk van Willem Frederik Hermans (Hasselt 1976), zie index.
36Men bedenke dat Arthur een buitenechtelijk kind is, de naam van zijn vader wordt zelfs nergens vermeld. Arthurs idee van Napoleon af te stammen (p. 51/55, 208/216, 219/227, 317/327, 353/363, vgl. p. 77/81, 273/282-283, 296/306) kan men ook interpreteren als een uiting van behoefte aan identiteit.
37De acacia is het vrijmetselaarssymbool voor de onsterflijkheid. Vgl. Hermans in het interview van H.U. Jessurun d'Oliveira (zie noot 12), p. 21.
38In het interview van Johan van der Woude in De Gelderlander 9 januari 1962 (= Nieuwsblad van het Noorden 7 juli 1962), zegt Hermans, sprekend over De tranen: ‘Het huilen in mijn romans betekent heel iets anders dan het huilen bij een romanticus. Het is in mijn boeken een verflauwde vorm van het doodbloeden, dat ook vaak in mijn boeken voorkomt. [...] Dat betekent voor mij precies hetzelfde als het leeglopen van een accu. De stroom van het leven die het lichaam verlaat’. Over de titel van de roman zie Coen Bersma, ‘Bloed, bloemen en tranen’ in De nieuwe taalgids 66 (1973), p. 212-223.
39Zie de samenvatting van Hermans' wereldbeeld in Frans A. Janssen, Over De donkere kamer van Damokles van Willem Frederik Hermans, 2de opl., herz. (Amsterdam 1978), p. 68-71.
40Zie J.J. Oversteegen, ‘Terugblik’, in Raster 5 (1971), nr. 2 (zomer), p. 252-253; Ton Anbeek, ‘De verteltechniek van Hermans' eerste roman’, in De nieuwe taalgids 66 (1973), p. 36-37.
41‘De vestalium castitate’, in Criterium 4 (1945-1946), nr. 13 (oktober 1946), p. 718. Naast het eerste citaat kan men Arthurs woorden leggen: ‘Misschien heeft iedereen wel zijn eigen oorlog’, etc. (p. 252/261); zie ook de hierboven geciteerde uitspraak van Arthur op p. 217/225 van de roman.
42‘E. du Perron als leermeester’, in Criterium 5 (1947), nr. 3 (maart), p. 179.
43Geschreven tussen 1952 en 1958; 1ste druk: 1958, 21ste opn. herz. druk: 1978.
44Vgl. Over De donkere kamer van Damokles.
45D. Betlem, ‘De geboorte van een dubbelganger’, in Merlyn 4 (1966), nr. 4 (juli), p. 276-290; zie mijn bestrijding in Over De donkere kamer van Damokles, p. 42-43; vgl. ‘Varianten in orde en chaos’, hieronder p. 67-68.
46Vgl. Over De donkere kamer van Damokles, p. 42-46.
47Gewezen kan nog worden op enkele details in het verhaal: zowel Arthur als Osewoudt maken een reis naar het Zuiden; evenals Oskar wordt ook Osewoudt in verband met activiteiten in de oorlog na de bevrijding gearresteerd; zoals (volgens Andrea) Ernst opgespoord moet worden, omdat hij alles weet, omdat hij alleen Oskar kan redden, zo kan Osewoudt alleen door Dorbeck gered worden; zowel Oskar als Osewoudt bemerken de zure stank van de afvalhopen in het Amsterdam van begin 1945; beiden worden in de cel op jenever getrakteerd; in hun cellen bevindt zich achter een luchtrooster een potloodje; etc.
48Alleen in de laatste bladzijden van het boek verschuift het point of view: de verteller plaatst zich bij de stervende Osewoudt buiten zijn kader.
49In het interview van Floor Snijders in Amigoe di Curaçao 25 en 27 januari 1969.
50In het interview van Hans Sleutelaar en Piet Calis (zie noot 32), p. 41.
51In Schrijversdebuten ('s-Gravenhage 1960), p. 89 (het stuk is eerder verschenen in Het Vaderland 16 oktober 1954); vgl. het interview van Dirk Ayelt Kooiman en Tom Graftdijk uit 1970, in Scheppend nihilisme, p. 249, en ‘Onmacht tot zelfrespect’, in Het Vrije Volk 13 april 1951.
52Pyrrhon: Grieks filosoof, ca. 300 v. Chr.; hij leerde dat men geen bewijsbare kennis van de wereld kan verkrijgen, wilde dan ook geen onderscheid maken tussen ja en nee; hij heeft geen geschriften nagelaten.
terug  begin  verder