terug  begin  verder
[p. 37]

De donkere kamer; perpectief en interpretatie van het gebeuren in De donkere kamer van Damokles van Willem Frederik Hermans

G.J.P. van Hoek

C.B.M. Wingen

A. Inhoud

We openen dit verslag met een samenvatting van de inhoud van De donkere kamer1. Deze samenvatting is enerzijds bedoeld als geheugensteuntje voor onze lezers; anderzijds hebben we geprobeerd de inhoud zó weer te geven als hij bij een argeloze lezer van het boek overkomt. Voor ons is een lezer iemand die een boek één- of meermalen doorleest zonder een systematisch onderzoek in te stellen. Hoe argeloos die lezer is zal duidelijk worden in de volgende hoofdstukken.

 

Moeilijkheden in het ouderlijk huis en eigen onvolgroeid uiterlijk zijn er de oorzaak van dat Osewoudt, de hoofdpersoon, van zijn omgeving geïsoleerd raakt. Hij trouwt met zijn lelijke nicht Ria en lijkt een leven zonder afwisseling tegemoet te gaan als sigarenwinkelier.

De oorlog brengt echter de spanning die hij zich gedroomd had. Een luitenant van het leger, Dorbeck, die sprekend op Osewoudt lijkt, betrekt hem bij zijn activiteiten in het verzet. Osewoudt ontwikkelt voor hem foto's en pleegt in zijn opdracht een aanslag in Haarlem. Dorbeck verdwijnt echter spoedig van het toneel: waarschijnlijk komt hij om wanneer een vliegtuig neerstort op zijn huis in Amsterdam.

Een aantal jaren later neemt Dorbeck echter opnieuw contact op met Osewoudt. Hij krijgt opdracht om Elly, een Engelse agente, verder te helpen en de gevaarlijke Lagendaal te vermoorden. Erg veel geluk heeft hij niet: Elly verdwijnt spoorloos, zijn helpster in de zaak-Lagendaal, ‘Hé jij’, wordt gearresteerd en ook hijzelf wordt spoedig door de Duitsers gezocht. Ondanks het feit dat hij vermomd is, weten ze hem te vinden. Hij wordt ondervraagd, maar uit de vragen en getuigenverklaringen wordt het hem duidelijk, dat de Duitsers Dorbeck en niet hem zoeken. Door enkele illegalen wordt Osewoudt uit het ziekenhuis waar ze hem naar toe gebracht hebben bevrijd. Nog dezelfde nacht wordt hij weer opgepakt en met hem een groepje illegalen bij wie hij ondergedoken zat; onder hen zijn joodse vriendin Marianne.

Deze keer duurt zijn gevangenschap langer. Het is Obersturmführer Ebernuss die hem vrijlaat, wanneer deze zelf wil deserteren. Hij heeft ervoor gezorgd dat

[p. 38]

Marianne niet naar Duitsland werd getransporteerd en in ruil daarvoor moet Osewoudt hem in contact brengen met de illegalen. Voor Ebernuss loopt het echter slecht af, want in opdracht van Dorbeck vergiftigt Osewoudt hem.

Dorbeck geeft Osewoudt een onderduikadres, maar deze reist naar het bevrijde Zuiden en meldt zich bij de Nederlandse Strijdkrachten.

Daar wacht hem een warme ontvangst: hij wordt gevangen genomen en beschuldigd van verraad. Door aperte leugens en verdraaiingen van de waarheid krijgt Osewoudt de schuld van de arrestatie van Elly en ‘Hé jij’. Zowel voor de Engelse inlichtingendienst als voor de Nederlandse justitie is Osewoudt een spion van de Gestapo die met behulp van foto's in illegale organisaties is binnengedrongen en zo honderden slachtoffers heeft gemaakt. Bewijzen kunnen niet tegen hem worden aangebracht, maar Osewoudt slaagt er van zijn kant niet in zijn onschuld te bewijzen. Het beroep op Dorbeck is vergeefs, want Dorbeck is en blijft onvindbaar; alle betrouwbare getuigen zijn dood en andere bewijsstukken verdwenen. Tenslotte wordt Osewoudt op een laffe manier neergeschoten wanneer hij in uiterste wanhoop naar buiten rent.

B. Perspectief

Bij een gecompliceerde roman als De donkere kamer dringt zich automatisch de vraag op: wat is er nu in feite gebeurd? Als de lezer een standpunt gaat innemen, dan zal hij de kant van Osewoudt kiezen, omdat hij moet toegeven dat Osewoudt, althans in grote lijn, een waar verslag geeft van zijn activiteiten in het verzet. De onderzoeker is niet tevreden met dit te constateren. Hij wil het waarom van deze standpuntbepaling achterhalen.

Het is de verteltechniek, die de lezer in een bepaalde positie dwingt en daarom richten wij in eerste instantie ons onderzoek op de verteltechniek in De donkere kamer. De eerste paragraaf geeft een globale schets van deze verteltechniek, aangevuld met een theoretische verantwoording. Vervolgens analyseren we de roman met behulp van de verteltechniek (par. 2). Tenslotte gaan we na welke mogelijkheden er zijn om tot een interpretatie van de bijzonder verwarrende gebeurtenissen te komen (par. 3).

1. De grote lijn van het perspectief

In De donkere kamer hebben we te maken met een personale vertelwijze. Het kenmerk van deze manier van vertellen is, volgens Stanzel, dat de verteller zich niet in het verhaal mengt; hij trekt zich zo ver achter de romanpersonen terug, dat de lezer zich niet meer van zijn aanwezigheid bewust is. Dit wekt dan bij de lezer de illusie dat hij aanwezig is op de plaats van handeling of dat hij als het ware via een romanfiguur - die niet vertelt - het voorgestelde bekijkt.2 De scènische weergave, een van de grondvormen van vertellen, zal daarom volgens Stanzel bij het gebruik van dit perspectief overheersen. Hij typeert deze grond-

[p. 39]

vorm als volgt: ‘Das Geschehen wird im Ablauf seiner Einzelheiten wie gegenwärtig dargestellt, wodurch der Leser gezwungen wird, das Geschehen gleichsam in actu mitzuerleben.’ (Stanzel. Typische Formen. 13-14).

Zeer uitvoerig en tot in details wordt de lezer in De donkere kamer ingelicht, voornamelijk over Osewoudts verzetsdaden. Hij maakt ze via hem van zeer nabij mee. Ook verneemt hij hoe Osewoudt het gebeuren beleeft. Hij leert alleen van hem en van geen van de andere personen de belevingswereld kennen, tenzij zij hun gedachten en gevoelens verwoorden. Erg belangrijk is ook dat de lezer beschikt over dezelfde informatie als Osewoudt; er wordt namelijk alleen dan verteld als Osewoudt aanwezig is. Zo is de lezer gebonden aan de zienswijze van Osewoudt; in het vervolg spreken we in dit geval van het psychologisch standpunt van de lezer. Technisch wordt deze gebondenheid geaccentueerd in die passages waar de lezer kennis neemt van het innerlijk leven van Osewoudt, vooral wanneer dit gebeurt op een directe manier: op die plaatsen waar de derde persoon vervangen is door de eerste persoon. Voor deze passages zullen wij in het vervolg de term alleenspraak gebruiken3.

Door al deze elementen treedt bijna een identificatie op tussen de lezer en Osewoudt, zoals Betlem terecht benadrukt heeft.4 ‘Damit wird diese Romanfigur zur persona, zur Rollenmaske die der Leser anlegt.’ (Stanzel. Typische Formen. 17).

Maar zo de lezer zich deze gedwongen identificatie al bewust is, dan zal hij zich in ieder geval niet afvragen of dit consequenties kan hebben. De oorzaken hiervan moeten voor een groot deel ook gezocht worden in de verteltechniek. Door de personale vertelwijze zal de lezer zich blijven ‘realiseren’, dat er een verhaal verteld wordt over Osewoudt en over diens belevenissen; het is een, weliswaar onzichtbare, maar toch aanwezige vertelinstantie die dit verhaal vertelt. Er wordt immers verteld in de derde persoon (hij) en het constante gebruik van de familienaam Osewoudt is opvallend. We moeten wel bedenken dat de positie van de vertelinstantie ten opzichte van zijn personale medium kan verschuiven, m.a.w. dat de afstand de ene keer groter is dan de andere keer. De tweede grondvorm van vertellen, die naast de scènische weergave ook in De donkere kamer voorkomt: het berichtend vertellen, sluit hierbij aan. Sterk gecomprimeerd worden de voornaamste gebeurtenissen weergegeven. Het effect op de lezer wordt door Stanzel als volgt gekarakteriseerd: ‘Der Bericht zielt vor allem auf die sachliche Vermittlung von informationen an den Leser.’ (Stanzel. Typische Formen. 13). De indruk wordt dus gewekt dat zakelijke informatie wordt overgedragen en dat op een objectieve manier; dit wil zeggen: niet via een van de handelende persoon in het boek, maar in dit geval, door de vertelinstantie.

Ook wijst de formulering meermalen op de aanwezigheid van de vertelinstantie, n.l. daar waar bepaalde woorden, uiterst gedetailleerde beschrijvingen of vergelijkingen gebruikt worden, die niet van Osewoudt lijken te zijn. Het aanwijzen van dit soort formuleringen is een subjectieve aangelegenheid, wat minder geldt

[p. 40]

voor de volgende verteltechnische aspecten. Soms wordt het gedrag van Osewoudt geïnterpreteerd, geëvalueerd en een enkele keer zelfs geïroniseerd. Dit soort manifestaties van de vertelinstantie komt relatief weinig voor, maar de voorbeelden zijn wel sprekend. Interpreterend is de vertelinstantie, o.a. bezig in het volgende voorbeeld: ‘De Leica hield hij op zijn hand tegen zijn borst en het leek of het fototoestel een klein huisdier was dat hij van de dood had gered.’ (258) Onder evaluatie rekenen we onder meer de volgende voorbeelden: ‘Zijn stem was nog altijd hoog als een kinderstem.’ (19) ‘Osewoudt barstte in een hoog kirrend lachen uit, (...).’ (102) Soms ironiseert de vertelinstantie Osewoudt over diens hoofd heen; alleen de lezer onderkent de ironie. Als Osewoudt voor het eerst bij Labare op bezoek komt wordt hij binnengelaten in een smal kamertje. ‘Aan de muur: een ingelijste tekening, voorstellend een familie van roodbruine apen, die deels als mensen waren aangekleed.’ (96-97) Ongeveer vier dagen later neemt hij Marianne mee naar dat kamertje met ‘(...) aan de muur de ingelijste tekening, voorstellend een familie van roodbruine apen die deels als mensen waren aangekleed.’ (213) Door deze letterlijke herhaling is de aandacht van de lezer gescherpt. Osewoudt legt zich met Marianne te ruste. Maar we maken spoedig weer kennis met ‘(...), de rode apen die gedeeltelijk als mensen gekleed waren, (...).’ Want de stralenbundel van een zoeklicht schijnt er op als de Duitsers Osewoudt en Marianne in hun gesprek komen storen. ‘Het zoeklicht bleef onbeweeglijk op de apen gericht,’ alsof de Duitsers voor de apen komen. Maar het zijn apen die gedeeltelijk als mensen gekleed zijn. Daarom kán de volgende lachwekkende situatie niet misverstaan worden: ‘Osewoudt gleed van het bed en kroop onder de lichtbundel door naarde stoel, trok de kleren eraf en begon te zoeken naar zijn eigen ondergoed. (...) Alleen zijn hemd en broek aan, kroop hij over de grond, de kledingstukken, oppakkend en weer weggooiend.’ (221-222)

De verteltechnische middelen die in de drie laatste alinea's genoemd zijn versluieren de eenzijdige betrokkenheid van de lezer bij de hoofdpersoon Osewoudt. Aparte vermelding verdienen in dit verband ook de dialogen. Deze maken deel uit van de scènische weergave, omdat de lezer het gebeuren van minuut tot minuut meebeleeft. In dialogen wordt de betrokkenheid bij het personale medium sterk geneutraliseerd, omdat beurtelings verschillende personen het woord nemen, die dan hun ideeën en gedachten kunnen verwoorden. Deze constatering is niet onbelangrijk wanneer we ons realiseren dat meer dan de helft van De donkere kamer bestaat uit dialogen.

Wanneer we de grote lijn van het perspectief in dit boek samenvatten, dan kunnen we dus het volgende zeggen: er werken twee tendensen die beide binnen de personale vertelwijze mogelijk blijken te zijn. De lezer raakt betrokken bij Osewoudt en hij identificeert zich zelfs met hem. Anderzijds wordt verdoezeld dat de lezer hiertoe gedwongen wordt en dat deze identificatie gevolgen zou kunnen hebben.

[p. 41]

2. Analyse van De donkere kamer

In de vorige paragraaf hebben we de verteltechniek in De donkere kamer globaal bekeken. Hierop volgt nu een analyse van het verhaal; deze moet ons een duidelijk beeld geven, hoe de twee grondvormen van vertellen, de scènische weergave en het berichtend vertellen, zich ten opzichte van elkaar binnen het verhaal verhouden. Met andere woorden: welke grondvorm overheerst in de verschillende fasen van het verhaal? Als uitgangspunt nemen we daarom de behandeling van de vertelde tijd: het tijdsverloop dat binnen de roman gegeven is. Met de behandeling van de vertelde tijd hangen immers de twee grondvormen van vertellen ten nauwste samen. De eenheden die op deze manier ontstaan noemen we fasen.

a. Eerste fase: pag. 5-22: Ontwikkeling van Osewoudt van zijn twaalfde tot zijn negentiende jaar

De inzet van het boek maakt de lezer helemaal vertrouwd met het idee dat er een verhaal verteld gaat worden door een onafhankelijke vertelinstantie over Osewoudt en over diens belevenissen. Deze fase is namelijk overwegend berichtend verteld. In vijf vrij korte hoofdstukken, verdeeld over achttien pagina's, verneemt de lezer in een soort voorgeschiedenis de karakterontwikkeling van Osewoudt gedurende zeven jaar. Verschillende hoofdstukken beslaan een vrij grote periode: het tweede bijvoorbeeld, dat gaat over de partnerkeuze, behandelt drie jaar. Het begint op de morgen nadat Osewoudt voor het eerst bij zijn zeven jaar oudere nicht geslapen heeft; hij is dan twaalf jaar. In de drie jaar die hierop volgen maakt hij uit gefluisterde gesprekken van zijn schoolmakkers op dat zijn seksuele ervaring met Ria uniek is, maar ook ontdekt hij dat Ria lelijk is. Clelia Bieland, die Ria moet vervangen, schrikt van zijn directe benadering en na een preek van de directeur ziet Osewoudt van verdere pogingen af. Grote tijdsprongen worden ook gemaakt tussen de hoofdstukken.

Door deze behandeling van de verhaaltijd moet de auteur overvloedig gebruik maken van ‘Raffungen’. Lämmert definieert dit begrip als volgt: ‘Die Unterschreitung der erzählten durch die Erzählzeit bezeichnet man als eigentliche Zeitraffung;’ en hij voegt daaraan toe: ‘sie führt im Grenzfall zu völliger Aussparung’.5 Soms worden een aantal elkaar opvolgende gebeurtenissen snel opgesomd (‘sukzessive Raffung’): ‘Tante Fietje stond op en ging de kamer uit. Nog diezelfde maand overleed zij aan een hartverlamming.

Osewoudt en Ria trouwden de 25e augustus van het jaar 1939. Zes dagen later vertelde de radio dat Hitler met vliegtuigen en tanks Polen was binnengerukt.’ (20) Vaker echter gebruikt de auteur de ‘iterativ-durative Raffung’: deze ‘fasst einen mehr oder weniger grossen Zeitraum durch Angabe einzelner, regelmässig sich wiederholender Begebenheiten (iterativ) oder allgemeiner, den ganzen Zeitraum überdauernder Gegebenheiten (durativ) zusammen.’ (Lämmert, Bauformen. 84) In het laatste hoofdstuk stapelen deze ‘iterativ-durative Raffungen’ zich op. ‘Soms gingen zij 's avonds wat wandelen (...)’ (20); ‘Op

[p. 42]

zondagen ging hij wel eens (...)’ (21); ‘'s Avonds luisterden ze naar de radio.’ (22); ‘Aan tafel werd niet gesproken’ (id.); ‘Eens per week ging hij een avond naar een judochibje in Den Haag. Een andere avond ging hij met de Vrijwillige Burgerwacht exerceren.’ (id.)

Zelfs de scène waarin Osewoudt zijn uiterlijk in de spiegel bekijkt wekt de indruk dat louter feiten geconstateerd worden: ‘Zijn judoclubje was hij geregeld blijven bezoeken. Zijn voeten vergroeiden ernaar, zij werden breed en zeer gespierd over de wreven, het leek of zij zuignappen aan het worden waren, hij stond er onwrikbaar op als waren zij van lood.’ (17) En: ‘Zijn mond deed denken aan de opening waardoor laagstaande dieren hun voedsel opnemen, geen mond die ook lachen en praten kon.’ (id.)

b. Tweede fase: pag. 23-47: 10 mei 1940 tot eind augustus 1940

Deze fase wordt gekenmerkt door de overgang van het berichtend vertellen naar een meer scènische weergave. Soms worden nog hele weken samenvattend weergegeven en het laatste hoofdstuk eindigt zelfs met een ‘durative Raffung’ van onbepaalde tijd: ‘Nog een paar weken bleef hij hopen, of eigenlijk ook vrezen dat er iets gebeuren zou, of dat hij iets horen zou, misschien van Zéwüster, maar ook die gedachten verdwenen en in de volgende tijd was het of de oorlog niet voor hem bestond.’ (47) Het boek had hier als het ware kunnen eindigen. Anderzijds wordt, in vergelijking met de eerste fase, een vrij korte periode beschreven: een kleine vier maanden. Opvallend is dat de lezer vaak nauwkeurig weet op welk tijdstip het gebeuren zich afspeelt. De tweede zin van deze fase luidt: ‘De wekker stond op kwart over vier.’ (23) Deze tijdaanduiding moet na het samenvattende begin van de roman meteen in het oog springen. En nog op dezelfde pagina blijkt dat het de dag is, waarop de oorlog uitbreekt, 10 mei 1940.

Door deze scènische weergave wordt de betrokkenheid bij het gebeuren groter, waarbij de dialogen een belangrijke rol spelen. Maar de lezer leert ook Osewoudts gedachten en gevoelens beter kennen, zodat de identificatie tussen beiden langzamerhand op gang komt. ‘Terwijl hij op straat liep, hoopte hij dat de Duitsers zelf intussen helmen van ander model hadden aangeschaft. Wat zou hem anders niet allemaal kunnen overkomen?’ (23) Is de eerste zin nog een indirecte rede, in de tweede worden we meer direct met de gedachten van Osewoudt geconfronteerd: het is een constructie die het midden houdt tussen de directe en de indirecte rede, waarvoor gewoonlijk de term ‘Erlebte Rede’ gebruikt wordt.

Via het gebruik van de derde persoon handhaaft de vertelinstantie zijn bemiddelende positie en in deze fase geeft hij die nog nergens op.6

[p. 43]

c. Derde fase: pag. 48-227. 28 juni 1944 tot half juli 1944

Om verschillende redenen is deze fase uiterst belangrijk. Na een ‘tijdsprong’ van vier jaar, worden aan een periode van niet meer dan ongeveer twee weken 179 pagina's tekst besteed. De beschreven eenheden variëren van ongeveer een uur tot een dag. Dit met uitzondering van het eerste hoofdstuk; hierin is namelijk nog vrij samenvattend verteld: gedurende vijf dagen blijft Osewoudt hardnekkige pogingen ondernemen om met Dorbeck in contact te komen. Zo is deze fase een sterk scènisch geheel. De tendens, waartoe we in de vorige fase de aanzet gezien hebben, zet zich door: de lezer wordt nu zeer direct betrokken bij het gebeuren.

De dialogen vormen een wezenlijk bestanddeel van de scènische weergave in deze fase; ze nemen een groot aantal pagina's in beslag. Osewoudts ontmoeting met Elly bijvoorbeeld is één dialoog van zestien pagina's (55-71); zijn kennismaking met Labare is een instructie in het ontwikkelen en verdunnen van films; zeven pagina's die bijna een monoloog van Labare worden omdat Osewoudt gedwee luistert (96-102). Ook met Marianne praat hij heel wat af (89-95; 104-113; 213-221). Deze dialogen worden vaak alleen onderbroken door situatietekeningen.

Maar Osewoudts innerlijke reacties worden nu ook uitgebreider en directer gegeven. Niet alleen door de Erlebte Rede maar ook door talloze alleenspraken wordt de identificatie tussen de lezer en Osewoudt in hoge mate bereikt. We geven hiervan een voorbeeld: ‘Of ik er een winkeltje in expositiemateriaal op na houd, dacht hij, alles wat ik étaleer is leeg, ledig. Een sigarenwinkelier, lelijke gierige vrouw, zeven jaar ouder dan hij en die hem bedriegt, zijn moeder is krankzinnig, zijn vader is vermoord, gelukkig. Toch heb ik het niet gedaan. Jammer. Wat blijft er voor mij te doen over? Onder de toonbank liggen een Leica en een pistool. Maar ik weet niet wat ik fotograferen moet en niemand zegt mij meer wie ik dood moet schieten. Alles gaat vanzelf, alles is al gebeurd. Alles wat ik onderneem blijft zonder gevolgen. Vier jaar heeft Dorbeck niets meer van zich laten horen en ook nu blijft hij onzichtbaar.’ (52)

Juist in deze fase spelen de gebeurtenissen zich af die Osewoudt, naar later blijkt, noodlottig zullen worden.

d. Vierde fase: pag. 228-251. Half juli 1944 tot begin april 1945

Op deze 24 pagina's wordt de lezer in snel tempo verteld wat gebeurt in een periode van negen maanden. Hierbij is hetzelfde procédé toegepast als in de eerste fase: veel ‘Raffungen’ en ‘Aussparungen’, gevolgd door min of meer scènische gedeelten die een belangrijk voorval uit een periode belichten of die voor een hele periode exemplarisch zijn.

Over de manier waarop Osewoudt zijn gevangenschap beleeft krijgen we weliswaar informatie, maar veel minder direct dan in de vorige fase. Zo treffen we slechts één keer een alleenspraak aan. (250)

[p. 44]

Speciale aandacht verdient nog de duur van de periode die in deze fase beschreven is. Nergens worden exacte data genoemd en de tijd die verstreken is lijkt soms verdoezeld: de aanwijzingen daarvoor zijn bijvoorbeeld geplaatst in dialogen. Eerst in de volgende fase komt de lezer te weten dat zijn gevangenschap duurt tot april 1945. (256) De constatering dat negen maanden verstreken zijn zal menig lezer verrassen.

e. Vijfde fase: pag. 252-314. Drie dagen in april 1945

Osewoudt is weer vrij en van het eerste moment afblijven we hem op de voet volgen: bij zijn tocht met Ebernuss naar de zolder van Moorlag, zijn ontmoeting met Dorbeck, de gang naar het ziekenhuis en naar het bevrijde Zuiden. De drie hoofdstukken beslaan ieder een periode van circa een dag.

Deze fase wordt dus gekenmerkt door een scènische weergave. We worden uitvoerig ingelicht over wat gebeurt en soms ook over Osewoudts gedachten. Aanvankelijk is Osewoudt in bravourestemming, maar na de desillusie over zijn doodgeboren kind slaat deze stemming om in het tegendeel. Van nu af aan blijkt alleen nog maar uit zijn daden wat er in hem omgaat.

f. Zesde fase: pag. 315-410. April 1945 tot 27 december 1945

Deze laatste honderd pagina's van het boek maken een scènische indruk. Dit komt grotendeels op rekening van het feit dat deze fase bijna helemaal uit dialogen bestaat. Er verstrijken weliswaar negen maanden, maar over hele perioden binnen deze negen maanden wordt niets verteld. Bovendien zijn de tijdaanduidingen vaag. In de dialogen wordt een poging gedaan te reconstrueren wat zich tijdens de oorlog (beschreven in de fasen twee, drie en vijf) heeft afgespeeld. De psychologische gezichtshoek bij Osewoudt wordt in de vertelvorm niet benadrukt, omdat ook anderen hun gedachten en gevoelens uiten. In het laatste hoofdstuk wordt zelfs normaal verder verteld, terwijl Osewoudt op sterven ligt.

Conclusie

We hebben gezien dat de lezer gebonden is aan het psychologische standpunt bij Osewoudt. Hij realiseert zich dat niet, omdat deze gebondenheid verhuld wordt, onder andere door de vertelvorm (hij-vorm, naam Osewoudt, formulering, evaluatie, interpretatie, ironie, berichtend vertellen, dialogen). Deze vertelvorm heeft tot gevolg dat het verhaal bij de lezer overkomt als objectieve, dit wil zeggen feitelijke informatie, die niet gebonden is aan een van de verhaal-personen, i.c. Osewoudt.

De verdeling van de twee grondvormen van vertellen over de fasen versterkt deze objectieve tendens. Het boek opent met een overwegend berichtende vertelwijze (fase een). Dezelfde vertelvorm overheerst in fase vier, waar ook de dialogen de objectieve indruk veroorzaken. In het afsluitende gedeelte (fase

[p. 45]

zes) zijn het weer uitsluitend de dialogen die hetzelfde bewerkstelligen. De gedeelten waarin de lezer het sterkst bij Osewoudts belevenissen betrokken is (fasen twee, drie en vijf) zijn op deze manier ingeklemd tussen objectiverende passages. Alleen in fase drie wordt de lezer zeer direct geconfronteerd met Osewoudts gedachten en gevoelens. En juist deze fase is van groot belang voor de afloop van het verhaal. Maar fase drie laat niet alleen zien hoe Osewoudt over het gebeuren denkt. Door de scènische vertelwijze maakt de lezer met Osewoudt alles van dichtbij mee. Actie en handeling nemen een belangrijke plaats in. Dit versterkt het realiteitsgevoel: Dorbeck betrekt Osewoudt in 1944 opnieuw bij het verzet; Osewoudt helpt Elly aan onderdak en vermoordt de collaborateur Lagendaal; hij wordt gevangen genomen en vervolgens bevrijd. Dit zijn allemaal reële gebeurtenissen.

Zodoende komt de lezer niet op het idee zich in dit gedeelte - waar het misschien op zijn plaats zou zijn - van Osewoudt te distantiëren. Temeer daar diens gedachten en gevoelens nogal voor de hand liggen, gezien de situatie waar hij zich in bevindt, en de gebeurtenissen hem meer overkomen dan dat hij zelf het initiatief neemt. Geconfronteerd met een aantal visies in het afsluitende gedeelte, zal de lezer op grond van het voorgaande zich aan de kant van Osewoudt scharen; hij heeft geen behoefte Osewoudt schuldig te verklaren. Wel moet hij erkennen dat hij mét Osewoudt geen inzicht heeft in de achtergrond van de gebeurtenissen die zich tijdens de oorlog hebben afgespeeld.

3. Van perspectief naar interpretatie

Is er dan meer aan de hand dan Osewoudt weet? We zouden dit kunnen achterhalen door ons te distantiëren van Osewoudts visie op het gebeuren. De vraag is echter of dit theoretisch mogelijk is. Kunnen wij ons losmaken van de positie naast Osewoudt waarin het perspectief ons dwingt? Met andere woorden: is het mogelijk de aard van Osewoudts subjectiviteit en de gevolgen daarvan vast te stellen? We krijgen immers dezelfde gegevens als Osewoudt en zijn vaak afhankelijk van de observaties die hij verricht!

Toch is er een opening in deze schijnbaar gesloten cirkel te vinden. Uit één voorbeeld in de roman blijkt duidelijk dat Osewoudt het niet altijd bij het rechte eind heeft. Het is interessant om deze passage nader te bekijken, omdat hierin ook gegevens te vinden zijn die duidelijk maken dat Osewoudt beter had kunnen weten.

Tijdens een ondervraging door Selderhorst blijkt dat Osewoudts bevrijding uit het ziekenhuis opzet van de Duitsers is geweest. De lezer had dit, mét Osewoudt, niet bemerkt, hoewel de tekst duidelijke aanwijzingen geeft dat het geen gewone bevrijding was. Zo vond Osewoudt het niet vreemd dat hij in een ziekenhuis werd opgenomen, terwijl hij van de dokter hoorde dat hij eigenlijk niets mankeerde. Hij meende deze zachtzinnige behandeling te danken te hebben aan Ebernuss' homofiele neigingen, waarop Osewoudt door Wülfing attent gemaakt was. Maar de tekst geeft aan dat er geen enkele reden was om

[p. 46]

deze conclusie te trekken: Ebernuss had Osewoudt immers nauwelijks gezien. (187) Wanneer Osewoudt met ome Kees in de auto zit, merkt hij op, dat deze een Hitlersnorretje heeft! Ome Kees en Cor zijn, zacht uitgedrukt, bijzonder onaangenaam tegen hun beschermeling; daar komt nog bij dat ze hem geen duikadres willen geven. ‘Wij willen eigenlijk niks met jou te maken hebben, dat is voor ons het beste, maar ook voor jou!’ Osewoudt beseft niet hoe logisch de conclusie is die hij hieruit trekt: ‘Voor mij het beste? zei Osewoudt, is het voor mij het beste als ik zo gauw mogelijk weer word opgepakt?’ (198) Ome Kees veroorlooft zich nog een, tegen de achtergrond van wat er werkelijk aan de hand is, wrang grapje: ‘De Duitsers, zei Oom Kees, terwijl hij Osewoudts hand vasthield en zijn linker pols naar de ogen bracht om op zijn horloge te kijken, de Duitsers zullen je nu wel zoeken.’ (200) En Osewoudt staat alleen, zonder duikadres op straat. Dit maakt de hele bevrijding tot een zinloze onderneming, maar Osewoudts wantrouwen wordt hierdoor niet gewekt; hij raakt alleen in de put omdat Cor hem pest met zijn uiterlijk. Vogelvrij op straat ziet Osewoudt tot tweemaal toe een auto met Duitsers voorbij komen; een officier van de Luftwaffe vraagt hem zelfs een vuurtje. Osewoudt denkt: ‘(...) zij hadden zeker een opdracht hem gevangen te nemen.’ (203) En dit is exact wat er aan de hand is, maar op een hele andere manier dan Osewoudt denkt. De Duitsers houden hem goed in de gaten om hem op het meest geschikte moment in de kraag te grijpen. Uit dit voorbeeld blijkt duidelijk dat Osewoudt niet de juiste conclusies trekt uit de gegevens die hij heeft. Ook denkt hij niet voldoende door: ‘Maar waarom hadden ze Cor dan aan zijn neus gehangen dat de sigarenwinkelier Osewoudt niet gezocht werd wegens een roofoverval, zoals in de kranten stond, maar wegens een schietpartij in Haarlem?’ (201) Het antwoord op deze vraag blijft Osewoudt schuldig, terwijl de mogelijkheden beperkt waren. Alleen de Duitsers én Dorbeck zijn op de hoogte van deze schietpartij, zodat alleen zij verantwoordelijk kunnen zijn voor de ‘bevrijding’.

Dit inzicht opent voor de onderzoeker nieuwe mogelijkheden om tot een interpretatie te komen: Osewoudts psyche en zijn manier van reageren moeten onderzocht worden. Een onderzoek naar Osewoudts psyche ligt trouwens voor de hand, omdat de lezer gebonden is aan zijn gezichtshoek. Stanzel geeft dan ook de raad om bij de interpretatie van een personale roman bijzondere aandacht te schenken aan het personale medium: ‘Aus der Persönlichkeit eines personalen Mediums wird, wie aus der Art der Optik einer Linse, auf den Grund der Verzerrung oder Entstellung des durch sie projizierten Bildes zu schliessen sein.’ (Stanzel. Typische Formen. 43).

C. Het personale medium

Wanneer in Nederlandse gevangenschap Osewoudts isolement volkomen is - niemand wil hem geloven - valt hij definitief terug in zijn minderwaardigheidsgevoelens. Al zijn ellende wijt hij aan zijn uiterlijk, de vervloeking bij zijn geboorte:

[p. 47]

‘... want ze houden mij niet gevangen omdat Dorbeck onvindbaar blijft, maar omdat ik een hoge stem heb als een castraat, een gezicht als een meisje en geen baard. In mijn uiterlijk heb ik mijn hele leven gevangen gezeten, mijn uiterlijk heeft mij gemaakt tot wat ik ben. Dat is de oplossing van het raadsel.’ (400; cursivering van ons)

Osewoudt beeldt zich niet in dat hij een afwijkend uiterlijk heeft, hij hééft een uiterlijk dat onmannelijk aandoet: hij is klein, heeft geen baard en een hoge stem; zijn trekken hebben iets meisjesachtigs.7 Telkens moet hij stekelige of dubbelzinnige opmerkingen incasseren die hem aan zijn ongunstige uiterlijk herinneren; door zijn uiterlijk is hij een nietswaardige figuur die door iedereen gepest kan worden. Zo heeft zijn bevrijder Cor geen goed woord voor hem over: ‘(...) is dat 'm nou, die vreselijk belangrijke pier? Met zo'n meissiesgezicht?’ (200; zie ook: 25, 37, 59-60, 185, 368) Vaak wordt Osewoudt ook op een meer neutrale manier aan zijn uiterlijk herinnerd. Bijvoorbeeld: een juffrouw van de informatiedienst zegt door de telefoon ‘mevrouw’ tegen hem. (84; zie ook: 64, 75, 83, 87, 191, 273) Zelfs de vertelinstantie laat zich op bijna subjectieve wijze uit over Osewoudt. (Zie B., pag. 92; zie ook 34, 120, 297, 376, 403) Dan blijken nog in allerlei situaties Osewoudts mankementen, vooral zijn gebrek aan lengte. Als Osewoudt bijvoorbeeld bezig is Dorbeck op te bellen, heeft hij te kampen met een lastige mevrouw: ‘(...) maar doordat de vloer van de cel hoger was dan de straat, hoefde Osewoudt niet tegen haar op te zien.’ (136; zie ook: 12, 30, 38, 142, 311, 406)

Door zijn uiterlijk is Osewoudt een beperkte en onvrije figuur geworden, passief en labiel. Al in zijn jeugd nemen zijn minderwaardigheidsgevoelens buitengewone proporties aan. Het huwelijk met Ria is de bevestiging van zijn mislukking.

Psyche van Osewoudt

Op twaalfjarige leeftijd komt Osewoudt terecht in een milieu dat vreemd voor hem is; hij wordt van huis weggehaald omdat zijn moeder zijn vader heeft vermoord. Osewoudt weet dat hij in zijn lichamelijke groei is achtergebleven maar hij heeft daar aanvankelijk nog geen complex van: ‘Ik ben een grote jongen, maar ik ben klein voor mijn leeftijd, dat kan ik niet helpen.’ (9) Met zijn oom, tante en nicht heeft hij geen emotionele binding. Hij verliest het vertrouwen in de ideeën van oom Bart als hij er niet ver mee komt bij Clelia Bieland (11) en de directeur van zijn school hem duidelijk maakt dat diens ideeën verouderd zijn. (12) Zijn omgeving helpt hem niet zijn onvolgroeide uiterlijk te relativeren; integendeel, ze versterkt zijn minderwaardigheidsgevoelens ten aanzien van zijn uiterlijk. Regelmatig kan hij de kritiek van zijn tante Fietje horen. (16) Met Ria heeft hij een passieloze seksuele relatie, maar alleen omdat zij zo lelijk is dat zij geen andere man kan krijgen. (17) Hij gaat verband leggen tussen de afkeer die de mensen van hem hebben en zijn lichamelijk tekort: zijn toenaderingspogingen bij Clelia mislukken, maar na schooltijd ziet hij haar fietsen met een andere jongen, ‘(...) die net zo oud was als hij, maar anderhalf hoofd groter.’

[p. 48]

(12) Tante Fietje mag hem niet en roddelt over hem tegenover haar vriendinnen: ‘En dan dat bleke meisjesgezicht, met die dunne blonde haren van hem. (...) Het zal de vraag wezen of hij ooit werkelijk een man wordt.’ (16) Zelf is Osewoudt helemaal niet meer in staat zijn uiterlijk te relativeren. Staande voor de spiegel ziet hij: ‘Een klein monster, een rechtopstaande pad.’ (17) Ook op school heeft hij geen contacten; hij voelt zich bedreigd en is zich toe gaan leggen op de defensieve sport judo. (12; 17; 22) Zo verkeert Osewoudt in een volledig isolement, waardoor het onmogelijk voor hem is boven zijn uiterlijk uit te groeien. Zijn minderwaardigheidsgevoelens nemen zo grote proporties aan dat hij zich volkomen willoos en passief gaat gedragen. Zijn uiterlijk is een blijvend en negatief gegeven en hij legt zich daarbij neer: ook zijn gedrag blijft onder de maat.

Osewoudts voornaamste karaktertrek, een gevolg van zijn onvolgroeide uiterlijk, is zijn passiviteit. Deze komt tot uitdrukking in zijn huwelijk met Ria: de bezegeling van een negatieve en onvruchtbare verbintenis. Aan haar hand stapt hij gelaten een leven van uiterste saaiheid binnen; hij keert terug naar de straat waar inhalen verboden is.

Opvallend is dat anderen steeds het initiatief nemen. Als Osewoudt bij het uitbreken van de oorlog door Dorbeck bij het verzet betrokken wordt, verandert er eigenlijk weinig aan zijn passiviteit: alles overkomt hem. Wanneer Dorbeck enkele maanden later niets meer van zich laat horen, valt hij dan ook terug in zijn eigen leegte: ‘(...) en in de volgende tijd was het of de oorlog niet voor hem bestond.’ (47) Pas na lang aandringen van Elly besluit Osewoudt haar te helpen; zij nam het initiatief bij de afspraak. (53) Oom Bart is de grote aanklager van Osewoudts passiviteit tegenover zijn familie (onder andere 120). Via Moorlag krijgt hij contacten en werk in het verzet: Meinarends, Labare, Marianne. Moorlag en Meinarends zorgen voor de vermomming: hoed, bril, zwart haar en nieuw persoonsbewijs. De opdrachten van Dorbeck voert Osewoudt stipt uit maar nauwelijks heeft hij Lagendaal vermoord of hij wordt door de Duitsers ingerekend. De episode van de ‘bevrijding’ laat zien dat hij zich kritiekloos laat meevoeren, waardoor hij opnieuw in de val loopt.

Osewoudts passiviteit en onzekerheid krijgen nog meer reliëf als we zijn initiatieven daar tegenover stellen: alles wat hij zelf onderneemt mislukt. Hij probeert de leicafilms zelf te ontwikkelen maar hij verknoeit ze. (33) Het lukt hem niet met Dorbeck in contact te komen: ‘Alles gaat vanzelf, alles is al gebeurd. Alles wat ik onderneem blijft zonder gevolgen.’ (52) Zijn ‘bemoeienis’ om Elly een nieuw persoonsbewijs te bezorgen blijkt nutteloos (107). Het bezoek dat Osewoudt brengt aan De Vos Clootwijk wordt later tegen hem gebruikt. Evenmin slaagt hij er in te ontsnappen door de Zoeterwoudse singel over te zwemmen: de Duitsers pakken hem opnieuw en na de oorlog kan hij zelfs niet duidelijk maken dat hij geprobeerd heeft te ontvluchten, omdat hij het huis aan de overkant niet kan terugvinden. Wanneer het hem wel lukt het bevrijde Zuiden te bereiken loopt hij regelrecht de Nederlandse cel in.

[p. 49]

Een bepaalde vorm van passiviteit komt naar voren in Osewoudts afhankelijkheid ten opzichte van personen en situaties. Hij is zo zeer door zijn uiterlijk bepaald, dat zijn manier van reageren afhankelijk is van de manier waarop anderen zich tegenover hem gedragen. We geven een paar voorbeelden. Hij hoort zijn tante Fietje over hem roddelen, en even later ziet hij zichzelf in zijn padachtige lelijkheid voor de spiegel staan. (17) Marianne reageert positief op hem. Zij verft zijn haar zwart waardoor hij nog meer op zijn viriele dubbelganger gaat lijken; en dan ziet hij het: ‘Dorbeck! Niet te onderscheiden van Dorbeck was hij! Hetzelfde zwarte haar, hetzelfde lijkwitte gezicht! Als ik altijd zwart haar zou hebben gehad, dan zou mijn hele leven anders geweest zijn, ook al heb ik geen baard, dacht hij.’ (91) Wanneer Selderhorst hem ervan wil overtuigen dat hij Lagendaal niet vermoord kán hebben, omdat hij een minderwaardig smoel heeft, laat hij Osewoudt een spiegel voorhouden: ‘Was dit een gezicht waarin ooit iemand enige gelijkenis met Dorbeck had kunnen ontdekken? Hij zag er uit als een kantoorjuffrouw die weet dat zij nooit een man zal krijgen, (...)’ (373) Deze spiegelscènes illustreren niet alleen Osewoudts psychische opleving tijdens zijn optreden in het verzet, maar ook zijn blijvende afhankelijkheid, waardoor deze tijdelijke opleving een schijnopleving blijkt te zijn.

Osewoudt komt in contact met Dorbeck. Deze geslaagde luitenant in het Nederlandse leger heeft belangstelling voor hem en heeft hem zelfs nodig. Op twee manieren sluiten Dorbecks opdrachten aan bij Osewoudts diepste wensen: hij krijgt nu eindelijk de kans zich mannelijk te gedragen door verzetsdaden te stellen. Tot nu toe had hij zich moeten behelpen met zijn judoclubje en de Vrijwillige Burgerwacht, surrogaat voor de militaire dienst waarvoor hij afgekeurd werd omdat hij een halve centimeter te kort was. Bovendien is de opdrachtgever iemand die op hem lijkt, maar dan op een positieve, mannelijke manier. Tegen Marianne zegt hij: ‘Toen ik hem voor het eerst zag, dacht ik: zoals deze man is, zo had ik moeten zijn.’ (216) Osewoudt is door zijn uiterlijk en innerlijk dé persoon om kritiekloos te staan tegenover alles wat van Dorbeck komt. Tot het einde toe blijft hij in Dorbeck geloven.

De keerzijde van Osewoudts duidelijk viriele belangstelling is, dat hij een afkeer heeft van alle figuren die de te vrouwelijke kant van zijn uiterlijk bevestigen. Een typerend voorbeeld is zijn afwerende houding tegenover Ebernuss. Omdat hij Ebernuss van homofiele sympathieën verdenkt, is zijn houding tegenover de ‘bevrijding’ uit het ziekenhuis van het begin af aan verkeerd.

Subjectiviteit

Osewoudts subjectiviteit is voor de lezer bijna te gewoon om argwaan te wekken. De lezer heeft nog geen vaste punten om zich tegen Osewoudts visie af te zetten. Na de oorlog wordt er alleen getwist over de vraag of Dorbeck al of niet bestaan heeft. En dit probleem is voor de lezer niet zo urgent. Bij hem zijn misschien vraagtekens gerezen omtrent de rol van Dorbeck, maar omdat niemand zich hier mee bezig houdt, zal hij er waarschijnlijk ook niet op doorden-

[p. 50]

ken. Bovendien verhinderen het perspectief en de tijdbehandeling dat de lezer zich kritisch opstelt, zoals we gezien hebben.

Betlem bedeelt Osewoudt met een zeer vèrgaande vorm van subjectiviteit: hij zou hallucineren. (Betlem: De geboorte van een dubbelganger.) Met veel van Betlems uitspraken over Osewoudts psyche kunnen we instemmen, maar waar hij die uitspraken zo sterk aanzet dat hij er de conclusie uit kan trekken dat Osewoudt hallucineert, kunnen we onmogelijk met hem meegaan. Ons insziens heeft Betlem geen overtuigend bewijs voor deze conclusie geleverd. Ook toetst hij zijn theorie niet aan het uitgebreide materiaal: de tekst na de tweede ontmoeting tussen Osewoudt en Dorbeck, ruim 350 pagina's van het boek. In feite probeert hij de visie van psychiater Lichtenau aannemelijk te maken. Bersma twijfelt niet aan de objectiviteit van Osewoudts observaties, maar hij laat de oprechte puzzelvriend zitten met 26 vragen omtrent de interpretatie.8 De reden en de aard van Osewoudts subjectiviteit zijn nu duidelijk geworden. Een voor de hand liggende gevolgtrekking is: afstand nemen van de manier van denken van Osewoudt. De onderzoeker moet proberen zich los te maken van Osewoudts subjectiviteit en alle gegevens tot hun recht laten komen.

De bespreking van de zogenaamde bevrijding uit het ziekenhuis Zuidwal heeft aangetoond dat in de tekst de feitelijke gang van zaken, zij het verdekt, weergegeven was. Osewoudt droeg de bouwstenen aan die het mogelijk maakten het gebeuren te reconstrueren. Zelf dacht hij niet door op wat hij registreerde, wat voornamelijk te wijten was aan zijn vooringenomenheid tegenover Ebernuss. Daarom ontging hem, en met hem de lezer, de achtergrond van wat gebeurde. Aanwijzingen in de tekst die de feitelijke gang van zaken onthulden, werden bevestigd door Malknecht (334-337), maar anderzijds werd dit getuigenis weer door andere tekstaanwijzingen ondersteund. Meermalen hebben we al gewezen op het belang van de dialogen. Als lezer hadden we de neiging om met Osewoudt selectief te luisteren naar andere verhaalpersonen. Nu blijkt dat we hen meer ‘aan het woord’ moeten laten.

Voor de interpretatie van de feiten in De donkere kamer lijkt daarom de volgende werkhypothese gerechtvaardigd: we toetsen alle uitspraken die over een episode gedaan worden aan de tekst die de betreffende episode beschrijft; de tekst moet uitmaken in hoeverre en op welke manier die uitspraken juist zijn. De interpretatie van Osewoudt is dus slechts een van de vele die we moeten onderzoeken. Hiermee sluiten wij ons aan bij een methodologische opmerking van de pers: ‘Daarom moeten wij eigenlijk geen enkele verklaring, van welke kant ook komende, letterlijk opvatten, maar met overleg en logica, de stukjes van de legpuzzel ineenpassen.’ (382)

[p. 51]

D. Interpretatie

‘Heb je mijn foto's al ontwikkeld? Stuur ze naar Postbus 234 Den Haag. Groeten. Dorbeck.’ (49) Het is 28 juni 1944, vier jaar nadat Dorbeck het filmrolletje waarover het gaat bij Osewoudt heeft achtergelaten. Osewoudt brengt de drie onschuldig uitziende kiekjes naar Den Haag, niet vermoedend dat hij ze zeer snel weer terug zal zien. Want het zijn juist deze foto's die hem noodlottig worden: ruim een jaar later blijkt Selderhorst de bewuste foto's in een veelvoud van exemplaren in zijn bezit te hebben: ‘Ze komen uit Duitse dossiers! De Duitsers gebruikten ze om er mee binnen te dringen in illegale organisaties. Ze gaven ze aan provocateurs die zich ermee identificeerden.’ (330)

Wij zullen ons voorlopig alleen bezighouden met de exemplaren die Osewoudt zelf terugziet. Deze heeft hij naar Dorbeck opgestuurd. Aangezien Osewoudt op het moment dat hij twee van de drie foto's terugkrijgt de negatieven nog in bezit heeft, moet het Dorbeck zijn die hem met deze foto's verrast. Elly en ‘Hé jij’ hebben trouwens niet alleen een foto; Elly kent zijn naam en adres en ‘Hé jij’ reageert op het wachtwoord dat Osewoudt telefonisch van Dorbeck gekregen had.

Het feit dat deze zelfde foto's tevens gebruikt zijn om binnen te dringen in illegale organisaties is geen toeval; ook Osewoudt wordt namelijk met handen en voeten gebonden aan twee zaken waarbij illegalen in Duitse handen vallen. Nu kan men tegenwerpen: Osewoudt heeft de Engelse agente Elly Sprenkelbach Meijer toch verder geholpen en de afschuwelijke moordenaar Lagendaal vermoord. Wij zullen proberen aan te tonen dat Osewoudts bezigheden, hoe gecompliceerd ook, niets om het lijf hebben en dat de achtergrond heel anders is dan hij zelf denkt.

Elly Berkelbach Sprenkel

Elly is niet zo maar een spionne die door de Engelsen naar Nederland gestuurd is en daar door de Duitsers is opgepakt, zoals Smears vertelt. (317) Laat staan dat Osewoudt haar op het spoor zou zijn gekomen. Elly komt heel wat beter uit de verf: zij dringt zich op aan Osewoudt. Als zij hem opbelt beweert ze namelijk een belangrijke boodschap voor Osewoudt te hebben. (53) Ofschoon hij tot driemaal toe vraagt waarover het gaat, weet zij deze vraag elke keer te ontwijken. (55; 58; 59) Ze doet zelfs alsof ze Osewoudt ervan verdenkt dat hij voor de Duitsers werkt en haar in de val wil lokken. Maar van de talloze gelegenheden ervandoor te gaan maakt ze geen gebruik. Integendeel, wanneer Osewoudt wegloopt klampt ze zich aan hem vast. (59; 60) Osewoudt vertrouwt het zaakje dan ook niet; ‘Dacht je dat ik mij liet provoceren?’ (59) Hij is vooral op zijn hoede, omdat Elly beweert een van de foto's die enkele dagen geleden nog in zijn bezit waren in Engeland gekregen te hebben. Dat Osewoudt deze foto herkent lijkt een van de voornaamste bedoelingen van Elly te zijn. Osewoudt verspreekt zich en moet toegeven dat hij de foto inderdaad kent. Zij slaagt er

[p. 52]

bovendien in hem ervan te overtuigen dat zij zelf in ieder geval wel uit Engeland komt. En op het seksuele vlak is ze zo toeschietelijk dat hij alle wantrouwen opgeeft. (67) Zo laat Osewoudt zich in feite provoceren; hij helpt haar verder en gaat haar zelfs zoeken als ze verdwenen is. Elly heeft hem gewezen waar hij in dat geval naar toe zou moeten gaan: ‘Ik moet eerst iemand in Utrecht spreken, ik denk dat ik morgenochtend maar meteen ga. De man heet De Vos Clootwijk. Hij is ingenieur bij de Spoorwegen.’ (71)

Osewoudts bezoek aan De Vos Clootwijk is een ‘initiatief’ dat hem duur komt te staan. Na zijn gevangenneming wordt hij meteen naar Engeland gebracht, waar hij blijkbaar alleen over de zaak-Elly Berkelbach Sprenkel ondervraagd wordt. (318) Zijn naam is dus kennelijk genoemd in verband met Elly, en in verband met De Vos Clootwijk. In Utrecht heeft Osewoudt zich echter niet geïdentificeerd en Elly kon evenmin weten dat hij in Utrecht geweest was; zij zou het trouwens nooit hebben kunnen navertellen. Dorbeck is de enige man die verband gelegd kan hebben tussen de persoon van Osewoudt en het bezoek aan De Vos Clootwijk; hij was immers de opdrachtgever van Elly, die Osewoudt op het spoor zet naar Utrecht. Mogelijk heeft Dorbeck een nog actiever aandeel in deze affaire gehad. De Vos Clootwijk zal later verklaren dat Osewoudt al bij hem geweest is vóór Elly zich met hem in verbinding had gesteld. (318) Dat deze verklaring niet helemaal uit de lucht gegrepen schijnt, daarop duiden de reacties van de man bij Osewoudts bezoek na de verdwijning van Elly: De Vos Clootwijk neemt genoegen met de mededeling via het dienstmeisje dat Osewoudt van de politie is; hij vraagt hem niet zich te legitimeren of te identificeren en hij weet meteen waarover het gaat. Op Osewoudts vraag of hij denkt, dat Elly een Duitse provocatrice was, antwoordt hij: ‘Nee, meneer. Ze kwam uit Londen! Ze zei nog: ik heb een Engels vriendje. Dat heeft ze gezegd!’ (142) Deze ontkenning wijst eerder op een provocatie, waarover De Vos Clootwijk op strikt bevel moet zwijgen, dan op het tegendeel. Als er inderdaad iemand geweest is vóórdat Osewoudt bij hem kwam, dan kan dit de man geweest zijn die als enige met Osewoudt verward kon worden: Dorbeck. De nadrukkelijke beschrijving van de lichtval in de kamer waar de ontmoeting plaatsvindt maakt deze suggestie aanvaardbaar: ‘Aan het plafond brandden nu twee kleine hoekplafonniers met roodbruine zij bekleed, schuin tegenover elkaar.’ Andere lampen brandden niet. ‘De lichte kleur van zijn jas was paarsachtig geworden in het zwoele licht van de plafonniers, zijn gezicht leek groen te fosforesceren.’ (139) Onder deze omstandigheden kan De Vos Clootwijk twee personen die dezelfde lengte hadden gemakkelijk voor een en dezelfde persoon hebben aangezien.

Dorbeck heeft Osewoudt dus in de zaak-Elly Berkelbach Sprenkel betrokken. Hij heeft de naam van Osewoudt aan de arrestatie gebonden; misschien heeft hij zich zelfs bij een bezoek aan De Vos Clootwijk voor Osewoudt uitgegeven. Osewoudt kan niet ontkennen dat hij in Utrecht geweest is; evenmin dat hij Elly ontmoet heeft, die een van de drie bewuste foto's bij zich had. Hij verklaart

[p. 53]

nadrukkelijk dat Elly in ieder geval uit Engeland kwam. (329) Maar misschien is zelfs dit laatste niet waar. Dit wil zeggen: de Elly, die Osewoudt ontmoet, hoeft niet de Engelse agente te zijn. Tegenover Osewoudt speelt ze eigenlijk ook te doorzichtig deze rol: in haar tas heeft ze een ballpoint die ze niet verzuimt te gebruiken; ze loopt te leuren met echte zilveren guldens en haar persoonsbewijs is duidelijk een vod; dit laatste brengt ze wel even onder Osewoudts aandacht, voor het geval hij dit niet uit zichzelf mocht ontdekken. (63) Tenslotte verdwijnt ze spoorloos; ze gaat zonder persoonsbewijs de straat op.

De Elly, die bij De Vos Clootwijk onhandig informatie moet vragen, kán de authentieke zijn, maar waarschijnlijk is het Osewoudts dubieuze partner. Amateuristisch klinkt haar plompverloren vraag, nota bene gesteld in de vestibule, om inlichtingen over transporten per trein van de Duitse weermacht. Zo mogelijk nog vreemder is het vervolg. Elly is weggegaan. ‘Maar zij was nog geen seconde weg of er werd gebeld. Ik stond nog in de vestibule en deed zelf open. Het was diezelfde juffrouw weer en ze zei: Ik ben freule Sprenkelbach Meyer. Wilt u hierover niet spreken met de heer Van Stockum?’ (141) Dat Elly terugkomt om haar naam pontificaal bekend te maken is verdacht. Hetzelfde gebeurt trouwens als ze Osewoudt voor het eerst opbelt; voordat deze één woord gezegd heeft, kondigt ze zich al uitvoerig aan: ‘Ik ben Elly Sprenkelbach Meijer. U heeft nooit van mij gehoord.’ (53) Maar nu dan toch wel! Het is denkbaar dat dit meisje alleen maar voor Elly door moet gaan. De echte Elly zou dan al ingerekend zijn; deze wordt gebruikt om te provoceren en de schuld van de arrestatie van de echte Elly op Osewoudt te schuiven.

Wat Selderhorst in het algemeen zegt van de foto's is ook in dit bijzondere geval van Osewoudt waar: hij wordt geprovoceerd door iemand die voor de Duitsers werkt; de foto is hierbij een identificatiemiddel. Elly heeft bewust aan deze provocatie meegeholpen of zich onbewust door Dorbeck hiervoor laten gebruiken. Dorbeck is de man achter de schermen.

Lagendaal

Op het eerste gezicht lijken de conclusies in deze zaak, na het voorgaande, voor de hand te liggen. Volgens Selderhorst heeft Osewoudt Annelies van Doormaal een van de foto's in handen gespeeld; deze foto moest door de Duitsers herkend worden. (332) Maar de foto komt van Dorbeck, omdat de afspraak met Osewoudt door hem geregeld moet zijn. Dorbeck zou dus Annelies verraden hebben. Osewoudt had weliswaar verzuimd haar de foto te vragen, maar zo ver ging de opdracht ook niet: ‘Als je de goede voor hebt, zal zij bevestigend antwoorden en je een foto laten zien die je herkent.’ (135)

Maar zo eenvoudig ligt de zaak-Lagendaal niet. Om enigszins een kijkje achter de schermen te kunnen nemen, moeten we op een ander punt beginnen; op de foto en de arrestatie van Annelies van Doormaal komen we nog terug. De Duitsers zelf maken zich nauwelijks druk over de moord op Lagendaal. Osewoudt wordt er tenminste niet over ondervraagd; ook niet als ze het bewijs

[p. 54]

in handen hebben dat hij de moord gepleegd heeft. Wülfing haalt demonstratief het pistool te voorschijn: ‘Als wij eens alle kogels die wij zo in de gelegenheid zijn te verzamelen uit dode lichamen, nauwkeurig gaan onderzoeken, wie weet wat er dan nog aan het licht komt!’ (236) Pas vier maanden na Osewoudts arrestatie valt voor het eerst de naam Lagendaal; maar ook van Ebernuss is dit slechts bangmakerij, want hij zegt onmiddellijk: ‘Maak je er niet druk over, wij maken ons er ook niet druk over. Wij kunnen niet op alle slakken zout leggen!’ (247) En daarmee heeft Lagendaal voor de Duitsers afgedaan. De volgende suggestie van Selderhorst komt dan ook niet helemaal uit de lucht vallen: ‘Veel waarschijnlijker is het dat ze (is: de Duitsers) het zelf gedaan hebben, misschien vroeg hij teveel geld.’ (369) Bij deze bewering zal ook wel meegespeeld hebben dat Selderhorst Osewoudt de eer van de moord niet wilde geven, maar er lijkt voldoende aanleiding te bestaan om te kijken wat deze suggestie waard is. De tekst maakt duidelijk dat het slachtoffer, Lagendaal, helemaal niet de afschuwelijke moordenaar is waar Osewoudt hem, op gezag van ‘Hé jij’, voor houdt. Zij schildert Lagendaal als ‘(...) een heel gevaarlijk individu, hij werkt voor de Gestapo, hij heeft al tientallen mensen erbijgelapt.’ (148) Lagendaal is zelfs op een speciale manier gevaarlijk: ‘Veel van die mensen die voor de moffen werken, staan bij de buren als goede vaderlanders bekend.’ (150) Zo ook Lagendaal; maar godzijdank woont deze wat achteraf zodat de buren niet voor complicaties zullen zorgen. Lagendaal is dus blijkbaar een ‘stille’. Maar met eigen ogen doet Osewoudt even later een ontdekking die hem merkwaardigerwijs niet argwanend maakt: ‘Het was een laag, houten huis. Verrek! De luiken waren geschilderd in de kleuren van de partij: rood en zwart!’ (156-157) In feite is Lagendaal dus openlijk een partijman. Het motief, dat ‘Hé jij’ opgeeft, waarom het voor de illegalen van belang is om Lagendaal te vermoorden valt dus weg. Hierdoor wordt de mogelijkheid dat de Duitsers het zelf gedaan hebben waarschijnlijker.

Het verdachte optreden van ‘Hé jij’ sluit hierbij aan. Want zij had kunnen weten dat Lagendaal geen stille was; ze had de omgeving immers verkend. Tegenover Osewoudt speelt ‘Hé jij’ de onnozele, maar in feite blijkt ze alles van het plan af te weten. Zo zegt ze; ‘Deze jeugdleidster is om je de waarheid te zeggen een complicatie. Vermoed ik tenminste, hoor.’ (152) Maar even daarvoor had Osewoudt opgemerkt: ‘Het scheen of zij nakeek of er nog iemand anders in de wagon was, op wie zij letten moest.’ (147) Zij verwachtte de jeugdleidster wel degelijk. Op de terugreis doet ze minstens even vreemd als tijdens de onderneming. Ze is hypernerveus, hoewel ze daar geen enkele reden voor heeft. (164-165) Haar reactie op de arrestatie is zonder meer verdacht: ‘Of “hé jij” erop gerekend had, stond zij onmiddellijk op en ging mee met de twee mannen in leer, zonder om te kijken.’ (166) Selderhorst heeft ook gegevens over deze arrestatie, uit Duitse dossiers - waar hij nu heilig in gelooft -; deze klinken bijna absurd: ‘Hé jij’ zou meteen na haar arrestatie vergif ingenomen hebben. (331) Waarom zou zij zelfmoord plegen? Veel sluitender is de

[p. 55]

redenering die Selderhorst even later opzet, alhoewel met een ander doel: ‘Die hypothese is, dat deze Annelies van Doormaal (is: onze ‘Hé jij’) die foto bij zich had, niet om herkenbaar te zijn voor jou, maar voor de Duitsers. De Duitsers moesten die foto op haar vinden, zodat ze zouden weten de ware persoon voor zich te hebben. (...) Het hele verhaal wordt daarmee veel eenvoudiger.’ (332; cursivering van ons) Deze veronderstelling zou exact kunnen kloppen als we haar op een bepaalde manier interpreteren: de niet-illegale ‘Hé jij’ is dan door de mensen van de Gestapo herkend aan de foto die zij waarschijnlijk in haar persoonsbewijs had zitten - ze had immers geen tas bij zich (147) -; en via een zogenaamde arrestatie verdwijnt ze van het toneel. Enige onhandigheid kan haar hierbij niet ontzegd worden, want ze gaat mee ‘alsof ze erop gerekend had.’

Omdat het niet voor de hand ligt dat de Duitsers een van hun eigen jeugdstormleidsters laten vermoorden, moeten we de rollen nu wel omkeren: de knappe jeugdstormleidster is een vermomde illegale. Zij is ook te duidelijk het prototype van een jeugdstormleidster om er echt een te zijn: blond, knap, perfect gekleed en uit haar portefeuille komen maar liefst ‘vijf foto's te voorschijn van vijf verschillende Duitse officieren.’ (154)

Bij deze interpretatie vallen er aan Duitse zijde geen slachtoffers. De aanwezigheid van de knappe jeugdstormleidster kan alleen verklaard worden vanuit de organisator: zij moest aanwezig zijn om aan de moord op Lagendaal een schijn van illegaliteit te geven; daarom ook moest zij vermoord worden. Er moest immers aan illegale zijde een slachtoffer vallen! Osewoudt concludeert dat de knappe jeugdleidster vermoord moest worden om haar naam te weten. (157) Maar dit kan de reden niet zijn. Aanvankelijk denkt Osewoudt heel logisch: ‘Er moet rekening gehouden worden met de omstandigheid dat hij (is: Lagendaal) wist hoe de jeugdleidster heten zou die zijn kind zou halen. Dus moet Dorbeck die naam ook geweten hebben, of beter: hij zou hem hebben moeten weten en “Hé jij” heeft hem ook geweten.’ (157) Bovendien kon ‘Hé jij’ zich niet anders laten noemen dan ze op papier heet en Walter noemt haar ‘tante Marchiena’. De moord op de knappe jeugdstormleidster is ons laatste argument om de zaak-Lagendaal niet als een illegale zaak te beschouwen: deze moord zou dan immers zinloos en overbodig zijn.

De kwestie van de namen is in deze episode nogal ingewikkeld. Béide jeugdstormleidsters moeten op hun persoonsbewijs Marchiena Siemerink geheten hebben. De lelijke wil aanvankelijk haar naam niet zeggen tegen Osewoudt en noemt zich ‘Hé jij’. Volgens Duitse documenten heet het illegale slachtoffer dat zogenaamd zelfmoord pleegt Annelies van Doormal; de knappe jeugdleidster heeft in deze documenten geen naam. De Duitsers kunnen eenvoudig de namen op papier verwisseld hebben. Misschien heet de knappe jeugdleidster, die in werkelijkheid het slachtoffer is geworden, Annelies van Doormaal. De mogelijk-

[p. 56]

heid bestaat dat de Duitsers zich later ook van ‘Hé jij’, die dan Marchiena Siemerink heette, ontdaan hebben.

Als onze interpretatie van de moord op Lagendaal juist is, dan bestaat er een duidelijke parallel met de zaak-Elly Berkelbach Sprenkel: Osewoudt wordt door iemand die voor de Duitsers werkt geprovoceerd met behulp van een van de drie foto's (óók al laat ‘Hé jij’ die foto niet zien!). Hij kan niet ontkennen dat hij bij de arrestatie aanwezig geweest is en vertelt zelf dat zij een illegale was, verkleed als jeugdleidster. Omdat zij een van de foto's bij zich had, krijgt Osewoudt de schuld van de arrestatie. Osewoudt had veel van de gegevens, die de achtergrond laten doorschemeren, in handen. Helemaal in beslag genomen door de actie, waarvan hij zelf de hoofdpersoon is, probeert hij slechts één keer de vreemde gegevens te combineren. (157) Het is bovendien Dorbeck die hem via het wachtwoord met ‘Hé jij’ in contact gebracht heeft; en daarom is vanaf dat moment voor hem ‘Hé jij’ de verklede jeugdleidster en de knappe de authentieke.

Gevangenneming

Onmiddellijk na de moord op Lagendaal wordt Osewoudt gezocht en gearresteerd. De moord en de arrestatie lijken echter niets met elkaar uitstaande te hebben, want Osewoudt wordt over de aanslag in de Kleine Houtstraat en niet over Lagendaal verhoord. De arrestatie zelf is nog vreemder: aangekomen in Amsterdam hoort Osewoudt een holle hese stem door een krakende luidspreker: ‘De heer Osewoudt! De heer Osewoudt! De heer Osewoudt, vermoedelijk aangekomen met de trein uit de richting Amersfoort, (...).’ (169; cursivering van ons) Wie was op de hoogte van dit feit? Allereerst ‘Hé jij’, maar die wist niet beter of hij heette Filip van Druten! (149) Aan het feit dat hij onder deze schuilnaam reist zal hij het ook wel te danken hebben dat ze hem niet al in de trein ingerekend hebben. Bovendien gaan de Duitsers, bij de ondervraging, zoals gezegd, niet in op de zaak-Lagendaal. Maar wie wist dan dat hij juist van die operatie vandaan kwam? Wie wist dat hij de trein naar Amsterdam zou nemen? Dit zit Osewoudt zo dwars dat hij er negen maanden later nog over begint tegen Dorbeck: ‘Heb je (...) enig idee hoe de Duitsers ertoe gekomen zijn mij te gaan zoeken? Ze zochten mij al toen ze nog niet wisten dat Lagendaal dood was.’ (272) Dit klopt, want diezelfde avond heeft zijn signalement met foto en al in de krant gestaan. (206) Bovendien zijn de gegevens doorgegeven aan de bioscopen. (175) De verklaring die Dorbeck geeft is voor Osewoudt afdoende: ‘...je eigen vrouw heeft je aangebracht! Ria! Samen met de zoon van de drogist!’ (272) Deze laatste wist inderdaad iets van de Kleine Houtstraat; hij had er Osewoudt zien knokken, dacht hij. (43) Maar Ria en Turlings konden in de verste verte niet weten waar Osewoudt was; hij was al een week van huis. Osewoudt gelooft Dorbecks verklaring omdat hij altijd een enorme hekel gehad heeft aan zijn vrouw en haar minnaar. Maar in feite wist alleen Dorbeck waar hij Osewoudt moest zoeken. Hij had bij de opdracht voor de onderneming in

[p. 57]

Lunteren uitdrukkelijk gezegd: ‘...je neemt van tevoren een retour Wageningen.’ (135); waarmee wel bedoeld zal zijn een retour Amsterdam-Wageningen, omdat het telefoongesprek in Amsterdam plaatsvond. Het moet Dorbeck geweest zijn die Osewoudt heeft aangegeven bij de Duitsers, terwijl hij zijn eigen aandeel in de aanslag schoof op de naam van Elkan. Bij de ondervraging hebben de Duitsers de namen van Zéwüster, Osewoudt en Elkan, terwijl ze Dorbeck niet kennen.

Wij moeten ons niet op het dwaalspoor laten leiden door Osewoudts heilige overtuiging dat niet hij maar Dorbeck door de Duitsers gezocht wordt. Bij het zien van de foto in de bioscoop herkent Osewoudt meteen zichzelf; als hij leest dat hij door de Duitsers gezocht wordt gaat hij twijfelen. Het haar op de foto is blijkbaar wat donker uitgevallen (wat op een foto niet ongewoon is): ‘Alleen, was zijn haar op die foto (is: van zijn oorspronkelijke persoonsbewijs) zo donker als op dit portret? Of was het een foto van Dorbeck die hier geprojecteerd werd?’ (175) Selderhorst heeft deze foto door deskundigen laten onderzoeken en dezen hebben bijna unaniem verklaard dat het een foto van Osewoudt was. (374) Maar Osewoudt is bang en daarom wil hij niet de gezochte zijn. In zijn mening dat de Duitsers Dorbeck zoeken wordt Osewoudt gesteund door de confrontatie met Roorda. Deze verklaart Osewoudt én Elkan ontmoet te hebben aan de ingang van het Vondelpark. Volgens Osewoudt moet Roorda Dorbeck gezien hebben. Zou Dorbeck zich daar voor Osewoudt uitgegeven hebben? In dat geval draagt weer een ander de naam Elkan. Eerder geloven wij dat deze confrontatie bluf is van de Duitsers om Osewoudt te laten bekennen dat hij Elkan in ieder geval gekend heeft. Maar ook nu laat Osewoudt zich weer misleiden. Hij ziet Roorda binnenkomen in ‘(...) een versleten pak, waar zelfs geen knopen meer aan zaten, zijn broek moest hij met een hand ophouden, zijn vuile overhemd zonder das hing open.’ Daaruit concludeert hij wat voorbarig: ‘Roorda zag eruit of hij voortdurend zwaar mishandeld werd.’ Wel vindt hij het vreemd dat Roorda hem Henk noemt. Het getuigenis dat Roorda aflegt klinkt als een van buiten geleerd lesje; hij hapert geen moment. (183-184) Toch wordt Osewoudt door dit getuigenis gesterkt in zijn overtuiging dat ze niet hem zoeken. Hij vertelt dit tegen de dokter (194), tegen zijn ‘bevrijders’ om hen duidelijk te maken dat ze hem zonder gevaar verder kunnen helpen (198-199), en tegen Labare en Suyling (209): Roorda moet iemand ontmoet hebben die op hem leek. Om Dorbeck niet te verraden noemt hij diens naam niet. Osewoudts eerste gedachte echter, als hij na het verhoor de gebeurtenissen de revue laat passeren, was veel dichter bij de waarheid. ‘Waarom laten ze mij zogenaamd herkennen door die zogenaamde Roorda?’ (188; cursivering van ons)

De verklaring van Ebernuss, hoe hij achter het bestaan van Dorbeck gekomen is, bevestigt eens te meer dat ons wantrouwen tegen Roorda gerechtvaardigd is: ‘Ze hebben Roorda onder druk gezet en die is toen enigszins op zijn verklaring teruggekomen.’ (246) Roorda zou Osewoudt nog een tweede keer gezien hebben, op het tijdstip dat Osewoudt in Lunteren was, zoals ook Ebernuss

[p. 58]

inmiddels wist! Iemand die bovendien bij de eerste ondervraging een bekentenis heeft afgelegd over wapendroppingen en zijn medewerkers daarbij met naam en toenaam genoemd heeft, zo iemand hoeft niet onder druk gezet te worden om ook een tweede ontmoeting te bekennen. Het zou trouwens ook betekenen dat Roorda dezelfde dag als Osewoudt gearresteerd was. (246)

Het vermoeden van Osewoudt, als zouden de Duitsers niet hem maar Dorbeck zoeken, is dus volkomen onjuist. Ze hebben Osewoudt gearresteerd voor zijn aandeel in de aanslag in Haarlem, nadat hij door Dorbeck aangegeven was. Maar naast Osewoudt zoeken Ebernuss en Wülfing naar de derde man en opdrachtgever van de aanslag in de Kleine Houtstraat, die zij kennen als Elkan.

Ebernuss

Om Osewoudt bang te maken suggereert Ebernuss dat Osewoudt als dubbelganger van Dorbeck is opgetreden. Via Roorda zou hij achter het bestaan van Dorbeck gekomen zijn. (247-248) Maar zijn ware informatiebron is gemakkelijk te achterhalen. Ebernuss doet immers zijn ontdekking vier maanden na Osewoudts gevangenneming. (244) En op ditzelfde moment verschijnen er berichten in de illegale bladen. Na de bevrijding hoort Osewoudt van een medegevangene: ‘Vijf maanden geleden is er al tegen je gewaarschuwd! Je portret heeft in alle illegale krantjes gestaan. Zelfs in de gewone dagbladen in Limburg en Noord-Brabant hebben ze over je geschreven. Is een hoogstgevaarlijk individu. Heeft honderden goede vaderlanders aan de vijand uitgeleverd.’ (313-314) Combineren we dit met de stapels dossiers die Selderhorst over Osewoudts kwalijke praktijken heeft, dan wordt het waarschijnlijk dat iemand anders tijdens Osewoudts gevangenschap kwistig diens naam gebruikt heeft in pro-Duitse zaken. Volgens Osewoudt moet de Gestapo de illegale diensten een en ander in handen hebben gespeeld om wantrouwen tegen hem te wekken. (323) Tot op zekere hoogte had hij gelijk, maar de Gestapo als organisatie had er geen enkel belang bij Osewoudt verdacht te maken. Wel Dorbeck, de man die op Osewoudt leek; hij had na de oorlog voor de daden die hij gedaan had en die hij nog deed een zondebok nodig.

Ebernuss moet geweten hebben in welk parket Osewoudt verkeerde; hij werd immers voor verschillende misdaden gezocht, terwijl hij al maanden bij de Duitsers gevangen zat. Buiten Ebernuss waren er mogelijk maar weinigen die wisten dat Osewoudt in Duitse handen was: hij werd geïsoleerd gehouden van alle andere gevangenen en zijn familie, met uitzondering van Ria, is ook niet meer op vrije voeten. Ria is ongevaarlijk, want zij houdt het met de N.S.B.-er Turlings en heeft een hekel aan Osewoudt.

Ebernuss weet niet alleen dat er een spel met Osewoudt gespeeld wordt, hij kent de man die dit doet bij naam: Dorbeck. En hij weet ook dat Dorbeck speciale contacten onderhoudt met het verzet: hij verschijnt regelmatig op een zolder waar Moorlag een sociëteit voor illegalen drijft. (Aangezien Ebernuss

[p. 59]

geheel onafhankelijk achter het bestaan van Dorbeck gekomen moet zijn, is dit een van de belangrijkste argumenten voor het bestaan van Dorbeck.)

Wanneer Ebernuss erachter is gekomen wat voor belangrijke pion Osewoudt is, gebruikt hij hem voor zijn eigen doeleinden: hij wil zijn huid redden. Door middel van Osewoudt wil hij Dorbeck onder druk zetten, omdat hij waarschijnlijk als enige Dorbecks rol doorziet. Ebernuss laat overduidelijk merken dat Osewoudt na het beëindigen van de oorlog allerminst veilig zal zijn: ‘Ik verklaar mij niet nader, maar onthoud wat ik je zeg. Je zult nog wel eens aan mij denken. Als wij elkaar in de steek laten, hebben wij geen van tweeën lang meer te leven. (...) Het eind van het jaar zal ik niet halen. Maar jij evenmin.’ (256) En even later: ‘Heus Osewoudt, het is ook van het grootste belang voor jou.’ (258) Meer wil hij niet vertellen, kan hij trouwens ook niet vertellen, omdat zijn plan om te deserteren dan gevaar loopt. ‘Waar zou dat toe dienen? Het is niet belangrijk dat jij het weet, maar zij moeten het weten.’ (258) Dit zal bij de verhoren blijken: Osewoudt alleen wordt niet geloofd. Osewoudt begrijpt niets van het gepraat van Ebernuss; het interesseert hem trouwens maar matig: ‘Ik heb geen sigaretten bij mij, zei Osewoudt, geef mij er nog een.’ (258) Hij luistert niet naar Ebernuss omdat hij van het begin af aan een grondige afkeer van hem heeft gehad, vanwege zijn homofiele neigingen: ‘Hij is de grootste vuilak van allemaal, dacht Osewoudt.’ (188) Zijn vertrouwen in Dorbeck daarentegen is onbeperkt. Daarom vermoordt Osewoudt eigenhandig waarschijnlijk de enige die buiten Dorbeck het fijne van de zaak wist. Hij krijgt hiervoor het bevel van Dorbeck. De reden die deze aan Osewoudt opgeeft voor de moord spreekt ook boekdelen: ‘In het algemeen is het niet zo gunstig Duitsers te liquideren, maar deze weet te veel.’ (264) Van Osewoudt wist Ebernuss alles af en hij was niet meer van plan hem daar nog voor te laten boeten. (258) Deze opmerking moet dus regelrecht slaan op de rol die Dorbeck zelf gespeeld heeft. Omdat Ebernuss te veel wist over Dorbeck mocht hij de oorlog niet overleven.

Egbert Jagtman

Dorbeck vertelt Osewoudt hoe hij in Rotterdam in de meidagen van 1940 twee Duitse parachutisten heeft laten neerschieten. (27) Na de oorlog blijkt uit Duitse dossiers dat Egbert Jagtman dit op zijn geweten heeft. Betlem heeft gelijk als hij zegt dat het ongeloofwaardig is ‘dat op dezelfde tijd op dezelfde plaats twee verschillende personen, die alletwee officier waren en beiden op Osewoudt leken en ook nog hetzelfde adres hadden, aan anderen opdracht zouden gegeven hebben tot de executie van twee Duitsers, (...).’ (Betlem: De geboorte van een dubbelganger, 287) Dorbeck en Jagtman moeten een en dezelfde persoon geweest zijn! Ook Osewoudt identificeert aanvankelijk Egbert Jagtman en Dorbeck (47); hij had immers leicafilms die hij ontwikkeld had voor Dorbeck opgestuurd naar: ‘E. Jagtman, Legmeerplein 25 III, Amsterdam-W.’ (31) Maar volgens Duitse dossiers heeft Jagtman zich bij de Duitsers aangegeven voor de fusillade in Rotterdam op 20 juli 1940. Als Osewoudt dit hoort ontkent hij perti-

[p. 60]

nent dat Dorbeck dezelfde persoon is als Jagtman, omdat zijn hele verdediging anders in elkaar stort. (375) Hoe zijn deze feiten te rijmen met de rol die Dorbeck na 20 juli 1940 nog gespeeld heeft zoals we in het voorgaande geschetst hebben?

Op 20 juli is wel Jagtman, maar niet Dorbeck verdwenen. We zullen deze cryptische stelling verduidelijken. De man die Osewoudt het verhaal van de fusillade vertelt is een bluffer. Hij bluft zelfs zo dat zijn verhaal ongeloofwaardig wordt. Hij zou uit de enorme drukte tijdens het bombardement feilloos twee mannen - die niet in uniform waren! - als Duitsers geïdentificeerd hebben. (27) Deze man is echter ook erg zelfverzekerd: ‘Ook al heeft heel Nederland gecapituleerd, dan zal ik nog wel capituleren op een ogenblik dat het mij schikt.’ (26) Bij een volgend bezoek maakt hij een opmerking van gelijke strekking - wat overigens pleit voor onze opvatting dat we met dezelfde persoon te doen hebben! -: ‘Ze kunnen zoeken zoveel als ze willen, als ik niet gevonden wil worden, word ik niet gevonden.’ (31) Het is volstrekt ongeloofwaardig dat iemand die zo'n houding aanneemt zich bij de eerste de beste oproep in de krant bij de Duitsers gaat melden. Deze mededeling stamt dan ook uit Duitse dossiers: ‘Na die oproep in de krant is hij zich gaan melden bij de Duitsers. Hij heeft gezegd: Hier ben ik! Jullie kunnen met mij doen wat jullie willen, maar ik heb er geen spijt van!’ (374) Dit klinkt toch wel heel anders. Wat zou er dan gebeurd kunnen zijn?

De oplossing ligt in de twee hierboven geciteerde uitspraken van Dorbeck. De man die dit zegt lijkt wel flink, maar meer nog een grote opportunist: blijkbaar schikt het hem op 20 juli 1940 zich bij de Duitsers te melden, zich te laten vinden. Maar niet als hij zelf enig gevaar zou lopen; hij is zich gaan melden om voor de Duitsers te werken. Het verhaal over de fusillade is dan verzonnen, waarschijnlijk in samenwerking met de Duitse inlichtingendienst. Het was bedoeld als rechtvaardiging voor de buitenwereld dat Jagtman niet meer bestond. Selderhorst zal na de oorlog dan ook voetstoots aannemen dat Jagtman zonder vorm van proces naar een concentratiekamp gestuurd is en niet meer leeft. (374-375) Het wat vreemde verhaal over de fusillade wordt ook door geen enkele onverdachte zijde bevestigd: Dorbeck zelf vertelt het, Turlings heeft het in de krant gelezen tijdens de Duitse bezetting! - en Selderhorst heeft het uit Duitse dossiers.

De aanslag in Haarlem

Een gecompliceerde zaak. We moeten volstaan met het gegeven dat twee handlangers van de Gestapo en Olifiers, die te goeder trouw was, het slachtoffer worden. (370-371)

Selderhorst suggereert dat Olifiers vermoord is omdat Osewoudt zijn films met belangrijke documenten verknoeid had. Maar hier is wel het een en ander tegenin te brengen. Dorbeck zou Osewoudt in een spoedopdracht belangrijke films (leicarolletjes) laten ontwikkelen, terwijl hij weet dat Osewoudt dat zelf

[p. 61]

niet kan. (26) Ook komen de ‘twee mannen die Osewoudt persoonlijk wilden spreken met een boodschap van ene Dorbeck’ (32) té toevallig in dat ene half uurtje dat Osewoudt niet thuis is, om echt een belangrijke boodschap voor hem te hebben. En Dorbeck wist al dat de films waardeloos waren, voordat Osewoudt ze ontwikkeld had: ‘Er stond niks op, natuurlijk. Ik heb je nog laten waarschuwen.’ (36) Als de boodschappers komen moet Osewoudt nog met ontwikkelen beginnen! Daarom is het mogelijk dat Dorbeck de belangrijke films heeft achtergehouden en Osewoudt onbelangrijke of zelfs lege te ontwikkelen heeft gegeven.

Zowel de Nederlanders als de Duitsers hebben later belangstelling voor de daders van de aanslag in de Kleine Houtstraat. De reden voor de aanslag blijft duister. Belangrijk is dat er slachtoffers aan twee zijden vallen. Hieruit zou je kunnen concluderen dat Dorbeck, die toch de opdrachtgever was, op twee fronten gewerkt heeft en dat hij met beide partijen iets te vereffenen had. Dorbeck werkt op een geheim niveau, want de Duitsers zelf (althans Ebernuss en Wülfing) zoeken naar de opdrachtgever van de aanslag.

Het huis

Osewoudt kan na de oorlog het huis, waar hij om hulp gesmeekt heeft toen hij probeerde te ontsnappen, niet terugvinden. We kunnen ons natuurlijk tevreden stellen met de kromme Plaatsteeg die uiteindelijk gevonden wordt en die voor het grootste gedeelte uit een houten schutting bestaat. (347) Het huis dat Osewoudt zoekt is er dan niet meer om de doodeenvoudige reden dat het is afgebroken. Wij vinden echter dat deze steeg te ver uit de buurt ligt om in aanmerking te komen.

Vertwijfeld vraagt Osewoudt zich af of hij in een andere wereld leeft, waarin niets meer over is van de situatie in de oorlog. Selderhorst, Spuybroek en Osewoudt reconstrueren het gebeuren en het wordt al snel duidelijk dat de onderneming op niets zal uitlopen, als bij de herhaling van de judogreep deze keer Osewoudt tegen de grond gaat. Ze gaan zoeken aan de overkant van de Zoeterwoudse singel en daar is nergens een dwarsstraat te bekennen.

Selderhorst wordt woedend: ‘Ik wil wedden dat je nog nooit eerder in deze buurt geweest bent.’ (...) ‘Ik begrijp er niets van, jammerde Osewoudt, waar kan ik in mijn zenuwachtigheid dan naartoe gelopen zijn? Het moet hier in de buurt geweest zijn, dat kan niet anders, maar ik herken niets. Als iemand mij gezegd had dat achter die dure huizen van de Plantage deze smerige achterbuurt lag, ik zou het niet hebben geloofd. Hoe is dat nou godverdomme toch mogelijk?’ (344-345)

Het is heel goed mogelijk dat Osewoudt de singel niet overgestoken is. De eigenaardige vorm van de singel en de ligging van Labares huis worden uitdrukkelijk vermeld: ‘De Zoeterwoudse singel had geen zijde met even nummers en een andere met oneven nummers, maar de huizen waren doorlopend genummerd: 70, 71, 72. Aan de overkant van de zigzagverlopende vroegere vesting-

[p. 62]

gracht, was parkachtige aanleg met enorme treurwilgen. Nummer vierenzeventig lag precies aan de binnenkant van een scherpe punt van de zigzaglijn.’ (96) Uit de tekst die de vluchtpoging weergeeft blijkt dat Osewoudt een stuk over het gras rent en dan het water in gaat. (224) Aanvankelijk glijdt het zoeklicht herhaaldelijk over hem heen, en spat het water dat de kogels doen opspuiten hem in de ogen. ‘Hij had geen idee hoe vlug of langzaam hij opschoot, het leek of hij helemaal niet vooruitkwam.’ (225) Blijkbaar houdt hij zijn hoofd zoveel mogelijk onder water: ‘Boven komend om adem te halen, hoorde hij het geluid van een motor, maar het kwam niet van de overkant.’ Nergens kan hij zwemmen! Na een poosje komen de kogels zijn kant niet meer uit en een schijnwerper blijft star gericht op de kruin van een boom. Als hij eindelijk uit het water kruipt, rent hij eerst een stuk verder en kijkt dan naar de andere kant van de singel: ‘Wel kreeg hij de indruk dat de auto's nog voor het huis van Labare stonden, ook brandde er nog licht, maar wat er gebeurde kon hij niet onderscheiden.’ (225) Weer loopt hij verder. Als het plantsoen ophoudt slaat hij de eerste de beste straat in.

Door de eigenaardige vorm van de singel is het zeer goed mogelijk dat Osewoudt eerst vanuit de inham waar Labares huis staat naar een uitstekende punt van de singel rent; daar het water ingaat, maar alleen een hoek afsnijdt, en er aan dezelfde kant weer uitkomt. Dat de kleine Osewoudt nergens kan zwemmen is een veelzeggend gegeven, want: ‘De singel is hier nog wel op zijn breedst, zei Selderhorst. Hij staarde naar de hoge treurwilgen aan de overkant.’ (342)

Deze ontvluchtingspoging is op een speciale manier met de intrige verbonden. Na de oorlog wil Selderhorst niet geloven dat de collaborateur Osewoudt echt bij de Duitsers gevangen gezeten heeft. Hij hecht enorme bewijskracht aan het feit dat Osewoudt het huis waar hij om hulp gesmeekt heeft niet kan terugvinden. Osewoudt wil aan de overkant van de Zoeterwoudse singel bewijzen dat hij in de oorlog aan de goede kant heeft gestaan; maar hij weet niet dat hij het bewijs aan de verkeerde kant van de singel zoekt, zoals hij ook tijdens de oorlog onbewust aan de verkeerde kant heeft gestaan. Op deze manier vormt de kwestie van het huis een beeld van Osewoudts positie tijdens en na de oorlog. Tevens is het een duidelijk voorbeeld van de consequentie waarmee het psychologisch perspectief is gehanteerd en wat daarvan het gevolg is.

Samenvatting

We zullen het verhaal nu in grote lijnen nog eens doornemen. Het uitgangspunt is de rol die Dorbeck gespeeld heeft tegenover Osewoudt. Zodoende wordt deze paragraaf een tegenhanger van de in het eerste hoofdstuk gegeven samenvatting van de inhoud. Bij vergelijking van deze twee wordt duidelijk hoezeer de lezer door het perspectief vanuit Osewoudt bedrogen is.

[p. 63]

Op de eerste oorlogsdag stapt luitenant Jagtman binnen in Osewoudts sigarenwinkel; hij noemt zich Dorbeck, ‘Dorbeck. Met ck.’ (24) In een land waar de mobilisatie is afgekondigd - Jagtman was al in 1939 gemobiliseerd! (363) - zijn spionage en daarmee het gebruik van schuilnamen niet vreemd.

Dorbeck lijkt al bij deze eerste ontmoeting iets met Osewoudt voor te hebben. Het initiatief tot een nadere kennismaking gaat van hem uit: hij maakt een opmerking over de gelijkenis tussen hun namen; hij geeft Osewoudt een hand! Hij spreekt de niet alledaagse afscheidswoorden: ‘Maar terugkomen doe ik.’ (24-25) Dorbeck komt inderdaad nog verschillende keren een beroep op Osewoudt doen en hij gedraagt zich hierbij zeer amicaal. Klaarblijkelijk om Osewoudt te imponeren vertelt hij bij een van zijn bezoeken het verhaal van de fusillade in Rotterdam. Voor de buitenwereld heeft hij nu een reden om als Jagtman voorgoed van het toneel te verdwijnen. Nadat het verhaal uitvoerig in de kranten heeft gestaan ‘geeft hij zich aan’.

Na het uitbreken van de oorlog, maar vooral na deze ‘aangifte’, kan Dorbeck zich niet meer zo openlijk vertonen als voorheen. Daarom komt hij nu bijvoorbeeld op een avond (35), of wacht hij tot er geen klanten meer in de sigarenwinkel zijn. (30) Hij kan nu geen lange buurpraatjes met Osewoudt houden en zijn toon wordt dus bevelender. Osewoudt laat zich gemakkelijk inpalmen. Hij krijgt leicafilms die hij met spoed moet ontwikkelen, zodat hij zich nog belangrijker gaat voelen. Waarschijnlijk heeft Dorbeck via deze films Osewoudts medewerking proberen te krijgen voor een veel ernstiger zaak: de aanslag in de Kleine Houtstraat in Haarlem.

Na de eerste maanden in het begin van de oorlog laat Dorbeck vier jaar lang niet meer van zich horen. 28 juni 1944, drie weken na de invasie van de geallieerden in Normandië, komt hij weer te voorschijn: het wordt voor hem tijd ervoor te zorgen dat hij de vrede overleeft. Via het filmrolletje, dat hij de eerste oorlogsdag misschien alleen achtergelaten had om Osewoudt even apart te kunnen spreken, neemt hij contact op met Osewoudt; dit contact blijft hij via diezelfde foto's onderhouden. Misschien is Dorbeck zelf, vermomd als heilsoldate, de foto's in Den Haag komen ophalen; nadrukkelijk wordt immers deze mogelijkheid in de situatietekening en de beschrijving van de heilsoldate gegeven. (49-50)

Elly en ‘Hé jij’, die voor de Duitsers werken, identificeren zich met deze foto's. Zo betrekt Dorbeck binnen enkele weken Osewoudt bij zaken waarbij twee illegalen in handen van de Duitsers vallen. De foto's werden ook op grotere schaal gebruikt; het was voor de Duitsers een middel om binnen te dringen in illegale organisaties. Ook hiervan krijgt Osewoudt de schuld omdat hij de foto's ontwikkeld en afgedrukt had; en omdat hij meer afwist van twee zaken, waarin de foto's gebruikt waren. Osewoudt veronderstelt dat de Duitsers de negatieven van de foto's gevonden hebben in zijn huis toen zij bij een inval Ria en zijn moeder hebben meegenomen. (330) Deze inval is bij de interpretatie niet zo gemakkelijk te plaatsen. Het is uitgesloten dat de Duitsers Osewoudt komen

[p. 64]

arresteren voor de aanslag in Haarlem. Pas een week later wordt hij hiervoor opgepakt door toedoen van Dorbeck, die hem nú nog nodig heeft voor de moord op Lagendaal. Het lijkt trouwens niet helemaal toevallig dat Osewoudt op de morgen van de inval van huis weg is: Elly doet alle mogelijke moeite om hem de avond en nacht daarvoor bezig te houden en ze had geweigerd die morgen een afspraak in zijn winkel te maken. (53) Ook krijgt Moorlag ruim de gelegenheid Osewoudt te verwittigen: de Duitsers doen een inval met veel lawaai, zodat iedereen het weet, gaan dan weg, en komen later pas weer terug. Daarom is Osewoudts veronderstelling minder onzinnig dan hijzelf vindt: ‘Zeur niet, antwoordde Osewoudt, zelfs als je gewoon naar huis teruggaat, zullen ze je niet pakken! Ze hebben je met opzet laten lopen! Begrijp je dat, slimmerd? Ze hebben je met opzet laten lopen om mij te kunnen vertellen wat er was gebeurd!’ (74) Via de opdracht die Moorlag meebrengt kan Dorbeck contact blijven onderhouden met Osewoudt.

Het is Dorbeck die alle reden heeft het huis te laten doorzoeken en Osewoudts familie in te rekenen. De negatieven van de foto's die in omloop gebracht waren lagen nog bij Osewoudt; en Dorbeck had ze nodig voor zijn verdere plannen. Natuurlijk wilde hij ook de foto hebben die Osewoudt niet had opgestuurd: de foto waar hij zelf opstond voor het huis in de Kleine Houtstraat. Deze kon hem zelfs noodlottig worden! Door Ria en Osewoudts moeder gevangen te laten nemen voorkomt Dorbeck dat er moeilijkheden ontstaan bij Osewoudts eigen arrestatie; en zeker als dan blijkt dat tijdens zijn gevangenschap een ander die naam gebruikt. Een week later wordt oom Bart, eveneens om dubieuze redenen, gevangen genomen. Ria kan rustig vrijgelaten worden, omdat haar sympathieën meer uitgaan naar de N.S.B.-er Turlings dan naar Osewoudt.

Als Dorbeck Osewoudt zodanig in zijn werk betrokken heeft, dat deze na de oorlog de zondebok kan worden, laat hij hem arresteren door de Duitsers. Na vier maanden wordt in illegale klingen en in het Zuiden gewaarschuwd voor de gevaarlijke spion Osewoudt. Door middel van deze waarschuwingen komt Ebernuss, die de zogenaamde spion persoonlijk onder zijn hoede heeft, op het spoor van diens dubbelganger Dorbeck. Deze wetenschap komt Ebernuss duur te staan. Osewoudt echter krijgt een perfecte vermomming die moet voorkomen dat hij opnieuw in Duitse handen valt. ‘Ik kan je nodig hebben. Ik kan in moeilijkheden komen. Het kan zijn dat ik een beroep op je wil doen.’ (273) Bij deze gelegenheid is Dorbeck zo bereidwillig zich door Osewoudt te laten fotograferen. Hij weet overigens dat hij hier geen risico mee loopt, want hij stelt vast dat het binnen te donker is om te fotograferen. (270) De foto moet mislukt zijn.9 Dank zij zijn vermomming weet Osewoudt veilig het bevrijde Zuiden te bereiken, niet beseffend dat hij hiermee Dorbeck een handje helpt. De Engelse en Nederlandse justitie zorgen ervoor dat Osewoudt zijn (is: Dorbecks) gerechte straf niet zal ontgaan.

Dorbeck laat zich na de oorlog niet meer vinden. De mogelijkheid bestaat ook dat hij niet meer leeft. ‘En als hij niet meer leeft, wat heel goed mogelijk is, er

[p. 65]

zijn in deze oorlog duizenden mensen spoorloos verdwenen, hij kan uit elkaar gescheurd zijn door een bom, hij kan met een vliegtuig in zee gestort zijn onder een andere naam, hij kan verbrand zijn in een tank, of misschien wordt hij wel gevangen gehouden, net als ik. Wie zal het weten?’ (393)

E. Slot

Voordat we de winstpunten van de interpretatie bij elkaar zetten, lijkt het ons goed enige relativerende opmerkingen te maken. Deze interpretatie is een interpretatie van de intrige, niet van De donkere kamer van Damokles in zijn geheel. Ook binnen de intrige blijven er nog vraagtekens staan. Zeer waarschijnlijk was Dorbeck een dubbelspion, maar op welk niveau? Hoe ver ging zijn macht? Hoe was zijn positie ten opzichte van de Duitsers, met name Ebernuss? Door deze problemen moesten wij op verschillende plaatsen genoegen nemen met de vage omschrijving: ‘de Duitsers’, terwijl het om Duitsers gaat die op een of andere manier orders van Dorbeck krijgen uit te voeren (bij voorbeeld bij de inval in de sigarenwinkel van Osewoudt). Volgens ons biedt het boek voor de oplossing van deze problemen geen aanknopingspunten. Ze vragen trouwens niet zo dringend om een interpretatie.

Van belang was aan te tonen dat Dorbeck Osewoudt voor zijn vuile zaakjes laat opdraaien en de manier waarop hij dit klaarspeelt. Om dit te bereiken moesten we ons distantiëren van de persoon van Osewoudt. Deze distantie maakte pas een interpretatie mogelijk die laat zien in hoeverre Osewoudt beperkt is en wat hiervan de gevolgen zijn. Want Osewoudt is wel degelijk subjectief. Niet dat de zaken zich anders voorgedaan hebben dan Osewoudt ze voorstelt; wat dat betreft heeft hij gelijk. Zijn subjectiviteit schuilt in het feit dat hij bij de uiterlijke kant van het gebeuren blijft staan, en deze is slechts schijn. Daardoor moeten de gebeurtenissen zich na de oorlog wel aan Osewoudt voordoen als chaotisch. Wij menen aangetoond te hebben dat ze meer samenhang vertonen dan je je als lezer realiseert.

 

Onze interpretatie levert een aantal winstpunten op. Gebeurtenissen die zonder nadere interpretatie iedere logische samenhang missen komen nu wel in een duidelijk verband te staan. Tevens blijkt door deze interpretatie van het gebeuren de tekst een wijdere functionaliteit te hebben. Veel tekstgedeelten hebben een dubbele betekenislaag; andere krijgen pas betekenis tegen de achtergrond van Dorbecks rol achter de schermen. Hierdoor krijgen we inzicht in de consistentie van de roman. Naast de betekenislaag die functioneert binnen Osewoudts visie, is er nog een andere duidelijk geworden: die welke functioneert buiten Osewoudts zienswijze. We werken dit met enige voorbeelden uit.

Passages die de lezer niet gebruikt of die hij moeilijk kan plaatsen, blijken veelal regelrecht naar de achtergrond van het gebeuren te verwijzen. Omdat Osewoudt een volkomen verkeerd beeld van het gebeuren heeft, wordt het begrijpelijk dat de conclusie die hij trekt, en die de lezer als redelijk volgt, niet de

[p. 66]

juiste zijn. Zijn intuïtief geuite gedachten, die weinig logisch verband met de situatie lijken te hebben, liggen vaak veel dichter bij de waarheid. In De donkere kamer vormen die losse gedachten van Osewoudt een patroon van aanwijzingen naar een andere, aanvankelijk minder voor de hand liggende, werkelijkheid. Het zijn aanwijzingen, geen bewijzen voor onze interpretatie, maar op deze manier geen overbodig materiaal in de roman. Zo denkt Osewoudt aanvankelijk dat Elly hem provoceert. (59) Hij veronderstelt dat de Duitsers bij de inval niet voor hem komen, maar dat ze Moorlag met opzet hadden laten lopen om hem te verwittigen; een veronderstelling die hij onmiddellijk als onzinnig verwerpt. (74) Een veel duidelijker functie krijgt het schijnbaar vage gepraat van Ebernuss. Ook de dialogen van Osewoudt met Selderhorst en Smears krijgen meer inhoud. Osewoudt lijkt voor de lezer te stuiten op een muur van vooroordelen en ongeloof. De aperte ‘leugens’ en ‘verdraaiingen van de waarheid’ brengen hem tot wanhoop. Maar zij fungeren niet alleen als eindeloze variaties van onbegrip en ongeloof. Ten aanzien van de werkelijke toedracht zijn de meningen van Smears en Selderhorst meer waar dan Osewoudts beperkte visie. Immers, Osewoudt heeft niet echt bij de Duitsers gevangen gezeten. De beschuldigingen zijn meestal terecht maar op Dorbeck van toepassing.

Een ander soort aanwijzingen die erop duiden dat wij met onze interpretatie op het goede spoor zitten, wordt gevormd door een groot aantal uitlatingen, formuleringen en situaties die een dubbele functie blijken te hebben. Ze werken binnen Osewoudts visie én tegen de achtergrond van het cynische spel dat Dorbeck met Osewoudt speelt. Belangrijk is dat zij op impliciete wijze door de auteur zijn aangebracht: zij ontgaan Osewoudt en de lezer op het tweede niveau volkomen. We geven een beperkt aantal voorbeelden.

Volgens onze interpretatie speelt Elly een spel met Osewoudt; zij mag hem daarvan niets laten merken. Als ze met Osewoudt naar bed gaat zegt ze: ‘Waartoe de ijver geen argwaan te wekken leiden kan!’ (68) Osewoudt denkt dat ze bedoelt: argwaan tegenover oom Bart; voor oom Bart is Osewoudt met Elly van huis weggelopen. Hij antwoordt: ‘In deze oorlog gaat iedere komedie tot het uiterste (...)’ (id.) De werkelijke portee van zijn uitlating zal hij nooit inzien.

Zonder het te weten staat Osewoudt aan de Duitse kant. Het ‘toeval’ wil dat Osewoudt bij wijze van vermomming korte tijd als rechercheur bij de Duitsers in dienst is. Meinarends doet het voorstel: ‘Wat denkt u van rechercheur? Daar heeft u echt een gezicht voor.’ (83) Even later denkt Osewoudt zelf: ‘Ik ben maar een knoeier op illegaal gebied, (...) ik heb het smoel van een N.S.B.-er die bij de Duitsers als rechercheur in dienst is.’ (83-84) Bij De Vos Clootwijk, die waarschijnlijk ook door zijn dubbelganger met een bezoek vereerd is, denkt hij: ‘Het is waar, ik heb wel het smoel van een smeris die voor de Duitsers werkt.’ (139)

[p. 67]

Osewoudt is de grote onwetende in deze affaire. Op gezag van Labare (101) meent hij: ‘Wij moeten nooit ons gevoel voor humor verliezen, (...) het voornaamste hulpmiddel daarbij is: zorgen dat je niet te veel van andere mensen afweet. (...) Het beste zou het wezen als iedereen zijn naam veranderde.’ (109-110) Jagtman heeft zich stipt aan deze regels gehouden.

De donkere kamer van Damokles

Het motief van de donkere kamer cumuleert in de roman: Osewoudts ondergang voltrekt zich via donkere kamers. Hij verknoeit films, laat foto's mislukken en op het beslissende moment kan hij het portret van Dorbeck niet te voorschijn laten komen. Ook op het niveau van het perspectief is de titel betekenisvol. Osewoudt zit gevangen in zijn uiterlijk; door deze beperktheid bevindt hij zich in een donkere kamer waardoor hij niet kan zien dat de bedreiging van Dorbeck komt. Voor Osewoudt is het in zijn donkere kamer niet mogelijk een juist ‘beeld’ van Dorbeck te ontwikkelen; hij ziet Dorbeck alleen ‘positief’. Zo kán Osewoudt niet inzien dat Dorbeck zijn gevaarlijke plaats aan hem heeft afgestaan. Het zwaard komt dan ook op Osewoudts hoofd neer. In deze zin moet misschien ook de droom van Krügener verklaard worden: ‘Het was wel degelijk uw hoofd, alleen, het was tegelijkertijd duidelijk het hoofd van een man en die man had zwart haar.’ (289-290) Hoewel Osewoudt niet weet wat hem boven het hoofd hangt, voelt hij zich vrijwel constant bedreigd. Deze bedreiging wordt realiteit in Duitse en Nederlandse gevangenschap. Alleen Osewoudts moeder, die aan ‘waandenkbeelden’ lijdt, voelt dat hij door Dorbeck zijn ondergang tegemoet gaat. Maar haar waarschuwingen dringen niet tot Osewoudt door. (32; 33; 46)

 

Hoewel het perspectief de lezer dwingt tot dezelfde beperktheid als Osewoudt, is de oplossing van het raadsel óók in De donkere kamer aanwezig; hij ligt in Osewoudts zeer subjectieve beperktheid maar wordt pas duidelijk als men de consequenties uit deze beperktheid trekt. Wij menen door deze interpretatie een verborgen betekenislaag aan het licht gebracht te hebben. Het is precies zoals Labare het zegt: ‘Hier zul je het meeste werk moeten doen. (...) Je bent hier namelijk in de donkere kamer. Maar nergens ter wereld komt zoveel aan het licht als in een donker kamer. Nu moet je niet denken dat je er wat mee te maken hebt, met de dingen die hier aan het licht komen, als je maar zorgt dat het gebeurt. Je hebt er bij wijze van spreken geen omkijken naar.’ (100)

1W.F. Hermans: De donkere kamer van Damokles. Amsterdam, 1971. 10e, opnieuw herziene, druk. De titel van het boek korten we in het artikel af als: De donkere kamer. Wanneer in de tekst tussen haakjes alleen cijfers vermeld staan, verwijzen deze steeds naar de tiende druk van De donkere kamer. Voor de oorspronkelijke versie van dit artikel, een doctoraalscriptie uit 1970, hadden we gebruik gemaakt van de achtste druk. Slechts op twee plaatsen in het boek (71 en 141) wijkt de tekst in de tiende druk inhoudelijk zodanig af van die van de achtste druk dat dit van belang is geweest voor de interpretatie. Zie voor varianten in de verschillende drukken: F.A. Janssen: ‘Varianten in orde en chaos’. In: Raam (1972), afl. 80. blz. 26-39.

2F.K. Stanzel: Typische Formen des Romans. Göttingen, 19694. blz. 17.
3Dit is een vertaling van soliloquy. Humphrey geeft hiervan de volgende definitie: ‘(...) the technique of representing the psychic content and processes of a character directly from character to reader without the presence of an author, but with an audiency tacitly assumed.’ Wij blijven in de bewuste laag van Osewoudts denken, zijn gedachten worden geordend weergegeven. Het voornaamste doel is dan ook niet de psyche van Osewoudt te tekenen, maar eerder ‘to communicate emotions and ideas which are related to a plot and action.’ Daarom lijkt het niet wenselijk te spreken van een ‘interior monologue’. R. Humphrey: Stream of Consciousness in the Modern Novel. Berkeley etc., 19687. blz. 35-36.
4D. Betlem: ‘De geboorte van een dubbelganger’. In Merlyn 4 (1966) blz. 276-290. Zie speciaal blz. 276.

5E. Lämmert: Bauformen der Erzählens. Stuttgart, 19683. blz. 83.

6W. Kayser: Das sprachliche Kunstwerk; Eine Einführung in die Literaturwissenschaft. Bern etc., 196712. blz. 146-147.

7Onze argumentatie is tevens een weerlegging van Betlems opvatting, dat de opmerkingen over zijn uiterlijk zouden voortkomen uit pathologische inbeeldingen. (Betlem. De geboorte van een dubbelganger. 281).

8C. Bersma: ‘Doublures binnen de donkere kamer’. In: Raam (1972) afl. 80. blz. 16-25.

9In die tijd, 1945, moesten foto's bij veel licht genomen worden omdat de films een langzaam zwartingsproces hadden. Daarom is het ook begrijpelijk dat er helemaal niets op de film te zien is: er is zó weinig licht in de camera gevallen, dat de foto bij het ontwikkelen niet zwart kon worden.

terug  begin  verder