terug  begin  verder
[p. 89]

‘De donkere kamer van Damokles’: een constructie-analyse*

Arthur Kooyman

Vele commentaren zijn geschreven over W.F. Hermans' De donkere kamer van Damokles (Amsterdam, 19581). Vele teksten hebben het over het interpretatieprobleem van de roman: bestaat Dorbeck nu wel of niet? Wie is hij eigenlijk? Dientengevolge is de fundamentele structuur van het werk nog steeds onderbelicht gebleven.1 Dit komt met name tot uiting in het feit dat de kritiek op bet boek onvolledig te noemen is en er dingen over het hoofd zijn gezien. Om een aantal punten te noemen:

Op bladzijde 16 wordt vermeld dat Osewoudt vergroeide voeten overhoudt aan judo. Toch is het een feit dat men van judo eenvoudigweg geen vergroeide voeten krijgt. Zo heeft Anton Geesink geen vergroeide voeten aan judo overgehouden.2 Deze onwaarschijnlijkheid wordt door geen enkele commentator opgemerkt, noch wordt de vraag beantwoord waarom Osewoudt dan wél vergroeide voeten krijgt.

Waarom thematiseert de titel van het boek Damokles, de persoon uit de oudheid? De commentaren op het boek (zie bijvoorbeeld Janssen (1976)) verklaren dit door te stellen dat de Damokles-figuur wordt opgeroepen omdat Damokles' leven afhing van het zwaard dat boven zijn hoofd hing, en Osewoudts leven afhangt van een donkere kamer waarin het bestaan van de Dorbeck-persoon bewezen moet worden. Dit argument snijdt weinig hout, want gesteld dat het bestaan van Dorbeck bewezen kan worden, wat dan nog? Osewoudt moet bewijzen dat hij geen collaborateur is, maar het al dan niet bestaan van Dorbeck is daarvoor geen doorslaggevend bewijs, integendeel: Dorbeck zou zelf wel eens een collaborateur kunnen zijn of alle feiten die Osewoudt beschrijft kunnen loochenen.3 Er zijn veel verdergaande parallellen tussen de mythische Damokles-figuur uit de hele mythe en Osewoudt dan deze ene en die verdere overeenkomsten zijn dan ook van groter belang, zoals ik zal laten zien. Het wemelt in het boek van de omkeringen. Geen der wetenschappelijke critici thematiseert omkering op zich, terwijl het een in het oog springend en herhalend gegeven is.

 

Er lijkt ondanks de stroom van publicaties nog steeds terrein braak te liggen. In de hierna volgende tekst zal ik de macro- en delen van de microstructuur van het werk trachten te verklaren.

[p. 90]

Boektitel en boekinhouden

Als men de relatie tussen de tekst van een boek en de titel bekijkt, dan zijn er globaal twee categorieën van relaties tussen beide te onderscheiden:

 

a.
de titel kondigt een belangrijke gebeurtenis of belangrijk gegeven in het verhaal aan. Zo is in De val van Marga Minco herhaaldelijk een val belangrijk.
b.
de titel kondigt aan dat de gehele tekst de frase in de titel thematiseert. Zo thematiseert Buysses roman Het leven van Rozeke van Dalen ook werkelijk het leven van Rozeke van Dalen.

 

De vraag hoe De donkere kamer van Damokles aan zijn titel komt, heeft tot wilde speculaties aanleiding gegeven. Vaak wordt de titel langs de eerstgenoemde interpretatielijn verklaard: het boek heet zo, omdat hierin herhaaldelijk een donkere kamer belangrijk is. Janssen (1976), aansluitend bij Van Hoek & Wingen (1974) stelt: ‘[Osewoudt] zit opgesloten in de donkere kamer van zijn persoonlijkheid. Ook de wereld, ondoorzichtig, onduidelijk en onkenbaar, is een donkere kamer.’ Voor een verklaring volgens lijn a. zijn alleen met de grootst mogelijke moeite argumenten te geven, zoals Janssens publicatie bewijst. Er kan echter, met lijn b. als uitgangspunt, een veel plausibeler verklaring gegeven worden, die de constructie van de roman als geheel en vele onderdelen van de roman verklaart.

‘De donkere kamer’ als constructiefundament van het boek

De term ‘donkere kamer’ wordt voornamelijk gebruikt in de fotografie. In een donkere kamer worden negatieven en foto's ontwikkeld. Een negatief is een afbeelding van de werkelijkheid waarbij alles omgedraaid wordt ten opzichte van die werkelijkheid: wit in de werkelijkheid wordt zwart op het negatief, zwart in de werkelijkheid wordt wit op het negatief.

Beziet men nu de roman De donkere kamer van Damokles, dan blijkt het volgende: de lezer leest een verhaal over Osewoudt die actief is in het verzet (er kan bij voorbeeld geen twijfel over bestaan dat hij in Lunteren een Gestapoman vermoord heeft). Na pagina 254 wordt het beeld geschetst dat de autoriteiten hebben van de activiteiten van Osewoudt. Zij hebben het beeld van collaboratie. Het beeld dat de autoriteiten van Osewoudt hebben is dus omgekeerd aan de activiteiten die de lezer van het boek Osewoudt ziet doen.

De conclusie dient dan ook te zijn: dit boek heeft een constructie analoog aan het proces dat in een donkere kamer optreedt, waarin een beeld wordt gevormd van de werkelijkheid dat omgekeerd is aan die werkelijkheid zelf. Oftewel: het boek is wezenlijk zelf een donkere kamer.

Verklaart deze stelling de macro-opbouw van het boek, zij heeft verdere implicaties, omdat dit ‘donkere kamer-effect’ ook andere gegevenheden verklaart.

[p. 91]

Veel is geschreven over het dubbelgangersmotief in de roman, maar minder wordt het verschil tussen Dorbeck en Osewoudt besproken: de één heeft licht haar, de ander donker. Deze tegenstelling tussen licht en donker is een donkere kamer-effect, een omkering. Deze donkere kamer-allusie wordt door het personage Ria zelfs expliciet geuit, als zij zegt ‘Hij leek precies op jou, zoals een negatief van een foto lijkt op een positief’ (p. 25). Onderzoekers citeren deze regel veelvuldig, maar niet opgemerkt wordt dat deze zin met betrekking tot de woordkeus bijzonder vreemd is: niemand gaat zijn/haar foto's ophalen en spreekt de woorden: ‘Heeft u voor mij de positieven?’. Smulders (1983) merkt op een ander vlak de merkwaardigheid hiervan op, buiten de woordkeus (een negatief lijkt niet op een foto op het eerste gezicht, betoogt hij).4 Later zal ik op deze zin terugkomen bij de bespreking van de relatie tussen Hermans' boek en de Damokles-mythe.

Er zijn nog meer donkere kamer-effecten. Osewoudt krijgt een relatie met Marianne Sondaar. Osewoudt is blond, maar heeft zijn haar zwart geverfd. Marianne is zwart, en verft haar haar blond. Wederom een omkering, een donkere kamer-effect. Marianne merkt dit op bladzijde 174 expliciet op als zij zegt dat Osewoudt en zij elkaars tegengestelden zijn.

Het beginverhaal is op deze wijze ook te plaatsen: het verhaal over de drenkeling die eerst het water haat, maar als de bliksem in zijn vlot slaat dit gehate water gebruikt om het vuur mee te blussen, lijkt meer plausibel te passen in het constructiefundament ‘omkering’ dan de parabel die Janssen (1976) ervan maakt: ‘De eenzame Osewoudt haat de wereld die zijn identiteit, zijn waarheid niet accepteert; hij kan er niet in leven en moet een beroep doen op de middelen van die wereld om zichzelf te kunnen bewijzen, maar zijn redding kan hij niet bewerken.’ Dat het water in het beginverhaal staat voor ‘de wereld’ lijkt me een erg wilde veronderstelling.5

Ook met betrekking tot de persoon die als namaak-jeugdstormleidster (‘Hé jij’) met Osewoudt in het verhaal naar Lunteren gaat, is een omkering te zien: Osewoudt vermoordt de Gestapo-man en zijn vrouw, terwijl de namaak-jeugdstormleidster een passief aandeel hierin heeft. Als beiden op de terugweg in de trein zitten, wordt echter de ‘jeugdstormleidster’ gearresteerd, terwijl Osewoudt vrijuit gaat.

Een zeer belangrijke omkering is te zien met betrekking tot de moord op de vader. In de klassieke Oidipous-mythe doodt de zoon de vader en trouwt hij de moeder. In Freuds analyse van het Oidipous-complex wil de zoon de vader uitschakelen om met zijn moeder de liefde te bedrijven. In Hermans' boek echter doodt de moeder de vader. Het Oidipous-motief wordt hier als het ware omgedraaid: zo verschijnt de moeder vaak in Osewoudts kamer gehuld in lakens.

Osewoudt krijgt in de roman gezwollen voeten van judo, wat geen normaal gevolg is. Dit is zonder enige twijfel een allusie aan diezelfde Oidipous-figuur, wiens naam in het Grieks' zwelvoet betekent. Het Oidipous-motief in de roman

[p. 92]

wordt vaak gesignaleerd (bijvoorbeeld Janssen (1976: 30)), maar er wordt over het hoofd gezien dat tegen de achtergrond van dit motief een verklaring gegeven kan worden voor de vraag waarom verschijnselen uitblijven bij Osewoudt die in de normale puberteit optreden (baardgroei, stemverlaging). Doordat de moeder van Osewoudt de vader al heeft vermoord, kan Henri dit niet doen en kan hij geen normale man worden.

Eén omkering wil ik hierbij nog noemen: het werkwoord ‘inhalen’ in de zinsfrase ‘inhalen verboden’ die Osewoudt herhaaldelijk ziet (p. 5, 6, 13, 236). Inhalen is een proces waarbij de situatie dat A voor B ligt wordt omgekeerd tot een situatie waarin B voor A ligt. Het is deze zinsfrase die ‘de omkering’ als constructie-element verbindt met de Damokles-mythe.

De Damokles-mythe

Vrijwel alle commentaren die het boek bespreken refereren aan het bekende ‘zwaard van Damokles’, een deel slechts van de gehele mythe. Indien men echter de gehele Damokles-mythe beziet, kan men alleen tot een veel nauwere samenhang tussen het boek van Hermans en de antieke mythe besluiten.

In het verhaal uit de oudheid is Damokles een hoveling aan het hof van koning Dionysius. De hoveling is niet tevreden met zijn positie en wil koning zijn. Dionysius staat Damokles toe om één dag koning te zijn. Hij mag op de troon van de koning zitten en behandeld worden als koning, maar wordt tegelijkertijd gestraft voor zijn overmoed, doordat er een zwaard gehangen aan een paardenhaar boven hem hangt.

Het is nota bene Hermans zelf die de mythe bespreekt in zijn stuk ‘Het oor van Dionysius’ in Het sadistisch universum uit 1964. ‘Het oor van Dionysius’ dateert volgens de opgave op blz. 125 uit 1955, uit de periode toen Hermans De donkere kamer van Damokles aan het schrijven was.

‘Dionysius is het grote, klassieke voorbeeld van de tiran geworden. Een van de hovelingen, Damokles, benijdde hem om zijn grote macht en zei: O vorst, als ik, al was het maar voor een dag op uw plaats zou mogen zitten! Dionysius ontruimde zijn troon onmiddellijk, liet Damokles plaatsnemen en gaf zijn ceremoniemeester bevel een grote feestmaaltijd en talrijke jonge slavinnen te laten brengen. Toen Damokles zich de weelde van het tiranzijn goed liet smaken, vroeg Dionysius hem of hij zich gelukkig voelde. Maar voor Damokles een bevestigend antwoord had kunnen geven, zei Dionysius hem: Kijk eerst eens boven uw hoofd, Damokles! Boven het hoofd van Damokles, tegen het plafond van de hoge zaal schommelde over de deinende feestvreugde een groot zwaard zachtjes heen en weer aan een paardehaar. Laten wij hopen dat de slaaf Damokles de troon niet ontvlucht is, toen het zwaard naar beneden kwam om zijn schedel te doorboren. Maar het geschiedenisboek zegt niets hierover.’
[p. 93]

In de Damokles-mythe keert het omkeringsmotief terug: het verhaal is een verhaal over rolomdraaiing. Een lagergeplaatste streeft ernaar van plaats te wisselen met een hogergeplaatste. Bekijkt men nu het boek van Hermans dan ziet men het volgende: er is een positief geschetst personage Dorbeck en een negatief geschetst personage Osewoudt. Zij zijn anti-dubbelgangers: de één is een soort held, de ander een schlemiel; de haarkleur van de een is donker, van de ander is licht. De Damokles-mythe spreekt van een lagergeplaatste die de positie van een hogergeplaatste wil innemen, wat hem (mogelijk) fataal wordt. In Hermans' boek wil de schlemiel de positie innemen van de heldhaftiger Dorbeck, wat hem fataal wordt. Zoals het Damokles lukt om voor een tijd Dionysius te zijn (hij mag op de troon zitten als koning), zo lukt het Osewoudt om voor een tijd de held uit te hangen en Dorbeck te zijn (te zien ook aan het feit dat Osewoudt tijdelijk identiek wordt aan Dorbeck doordat zijn haar geverfd wordt en hij actief is in het verzet). De twee verhalen zijn dus in vele opzichten identiek: beide verhalen gaan over een persoon die boven zijn natuurlijke stand uit wil stijgen (Osewoudt/Damokles). Beide verhalen laten de rolomwisseling van lager en hoger wezen lukken (Damokles mag op de troon van de koning zitten / Osewoudt mag heldhaftige daden verrichten). Beide verhalen straffen het personage voor deze verandering: boven Damokles' hoofd hangt een zwaard bevestigd aan een paardehaar (en of dit neerkomt zegt de mythe niet), maar het is zeker dat bij Osewoudt wel alles totaal fataal afloopt: hij wordt door de autoriteiten als collaborateur beschouwd en uiteindelijk neergeschoten. Hermans' boek is in wezen een hervertelling van de mythe en heeft dan ook in wezen deze moraal: het is voor de mens onmogelijk zijn natuurlijke positie te overstijgen, groter te worden dan hij is.

 

Tegen deze achtergrond zijn een aantal dingen te verklaren: allereerst de woorden ‘inhalen verboden’ die Osewoudt tot viermaal toe op zijn levenspad vindt. Deze korte zin vat in al zijn bondigheid exact samen wat één van de stellingen is die het boek behelst: het is voor de mens die lager geplaatst is (Damokles/Osewoudt) verboden iemand in te halen die hoger geplaatst is (Dionysius/Dorbeck). Haalt men toch in, dan wordt dit afgestraft. In wezen zijn deze woorden proscopisch in het boek en voorspellen zij al in het begin een tragisch lot voor Osewoudt, die wel gaat inhalen.6

Dan de uitspraak van Ria: ‘Hij leek precies op jou, zoals een negatief van een foto op een positief.’ Deze zin thematiseert eveneens de Damokles/Dionysius-tegenstelling, het personage dat positief is (Dyonisius/Dorbeck) versus het personage dat negatief is (Damokles/Osewoudt).7

Maar Hermans' boek is geen ongewijzigde hervertelling van de Damokles-mythe: gaat het in de mythe om een vorst en een hoveling, in Hermans' boek gaat het om een super-ego (Dorbeck) en een ego (Osewoudt).8 Op deze wijze beschrijft het boek dan ook het falen van het ego om een super-ego te worden.9

[p. 94]

Zo bezien liggen in feite de drie constructie-elementen van het boek in elkaars verlengde:

het omkeringsthema dat in het verlengde ligt van
de Damokles-mythe, die getransformeerd wordt in
de ego en super-ego problematiek.

Met andere woorden: er is in het boek sprake van het opvoeren van een ego (Osewoudt) en een super-ego (Dorbeck) die de rollen gaan vervullen van respectievelijk Damokles (Osewoudt) en Dionysius (Dorbeck) uit de mythe die ingebed wordt tegen de achtergrond van de donkere kamer/omkeringsconstructie.

Het bestaan van Dorbeck

Na de verschijning van het boek begon in de kritiek de ‘strijd om Dorbeck’ (bijvoorbeeld Van Lokhorst (1959), Betlem (1966), Bersma (1972), Van Hoek & Wingen (1974)). Smulders (1983) probeert te verklaren waarom deze strijd ontstaat. Hij wijst op de realistische indruk die het werk maakt en op conventies die tussen lezer en schrijver aangenomen worden in zo'n roman: dat de romanwerkelijkheid overeenkomt met de normale realiteit. Hij verklaart de indruk van realisme van het boek door te wijzen op het feit dat er signalen uitblijven dat er afwijkende dingen gebeuren ten opzichte van de werkelijkheid. Dat nu is wezenlijk onwaar. Op zijn minst op het niveau van details kan men wijzen op de passage op bladzijde 110-112 waarin een telefoongesprek wordt beschreven tussen Dorbeck en Osewoudt. Als Osewoudt later bij de telefooncentrale naar het nummer informeert hoort hij dat het toestel niet aangesloten is. Dit nu is godsonmogelijk: men kan niet telefoneren met een niet aangesloten toestel. Het is een aanwijzing dat de roman in de door Smulders bedoelde zin niet (geheel) realistisch is.

Uitgaande van de opvatting dat het boek ‘realistisch’ zou zijn, komen de critici tot vreemde meningen die tegen de leeservaring ingaan en de ontologie van de romanpersonages niet in ogenschouw nemen - zoals bijvoorbeeld de visie op Dorbeck als dubbelspion (Van Hoek & Wingen (1974)), als mening geslaagd, maar het staat eenvoudig niet in het boek. Het bestaan van Dorbeck is mijns inziens geen vraag die de wetenschappelijke kritiek hoeft op te lossen, noch die van de (volgens de critici te reconstrueren) werkelijke aard van de gebeurtenissen in het boek en een omkering van de werkelijkheid daarvan grosso modo door de autoriteiten aan het eind van het boek. De wetenschappelijke kritiek hoeft zich alleen bezig te houden met de boekwerkelijkheid en die laat het volgende zien. In de eerste plaats is er in een gedeelte van het boek een personage Dorbeck - zijn bestaan kan niet op redelijke gronden ontkend worden: bepaalde voorvallen als de overval in Haarlem moeten via het personage Dorbeck tot stand gekomen zijn. Is Dorbeck een hallucinatie, dan hallucineert Osewoudt iemand van wie hij een adres krijgt in Haarlem, van wie hij een pistool ontvangt, etcetera. Hoewel ik weinig ervaring heb met hallucinaties, lijkt

[p. 95]

het mij niet tot hun natuur behoren om fysieke voorwerpen of concrete informatie aan de hallucinant te geven.10 Voorts komt er in het boek een gedeelte voor waar er geen personage Dorbeck aan te wijzen is. Om de vraag te stellen ‘Bestaat hij nog?’ is wel begrijpelijk, maar in wezen mallotig: in wezen bestaan personages zolang zij beschreven worden als bestaand. Alleen is het zo dat in ‘realistische’ literatuur om de werkelijkheidsfictie in stand te houden bij belangrijke personages aangekondigd wordt wanneer zij uit het verhaal verdwijnen. De dood van een personage of het verdwijnen van deze naar het buitenland kan als zodanig functioneren. Maar in wezen moet gesteld worden dat een personage bestaat wanneer hij beschreven wordt als bestaand. In zoverre moet men stellen: Dorbeck bestaat in het eerste gedeelte van het boek en in het tweede gedeelte van het boek niet. Dit nu is wederom een perfecte omkering: de stelling ‘X bestaat’ slaat om in zijn tegendeel ‘X bestaat niet’.

Dat Dorbeck onvindbaar is, zou - indien dit in de realiteit zou gebeuren - een probleem zijn, maar niet in een roman die niet aan een ‘realistische’ literatuuropvatting voldoet, waar het ontbreken van de aankondiging van zijn verdwijning nog een argument voor is. In zo'n roman kunnen nog zeer veel andere dingen gebeuren: mensen kunnen tweemaal doodgaan, ten hemel opstijgen, veranderen in kikkers, et cetera.

Zij die één duidelijke werkelijkheid achter het boek willen reconstrueren hebben de constructiefundamenten van het boek niet goed gezien. Het boek realiseert namelijk twee irrealiteiten: in de eerste plaats schept het een boekwerkelijkheid die haaks staat op de ‘normale’ realiteit door een reëel patroon (Osewoudts aandeel in het verzet onder invloed van Dorbeck) in het vervolg van het boek om te keren (door ‘het gezag’ wordt Osewoudt gezien als collaborateur en wordt Dorbecks bestaan ontkend). In de ‘normale’ realiteit geldt dat iets op een bepaalde wijze is en dan niet tegelijkertijd op de tegenovergestelde wijze. Zo is een tomaat rood en niet dan ook niet-rood tegelijkertijd (Aristoteles' principe van uitgesloten derde). De wet wordt door de donkere kamer-omkeringsconstructie van de roman ontkend.11

In de tweede plaats realiseert het boek de irrealiteit van het daadwerkelijk fysiek bestaan van het super-ego naast en in interactie met een ego. Dit is een irrealiteit: er bestaat een persoon van wie men een super-ego kan onderscheiden, maar het super-ego is buiten de persoon geen realiteit. Toch is het bestaan van het super-ego (Dorbeck) naast en onafhankelijk van het ego (Osewoudt) een feit in een gedeelte van het boek. Als de commentaren op het boek vervolgens het bestaan van dit onafhankelijk super-ego trachten weg te redeneren (zoals Van Lokhorst (1959), Betlem (1966)) proberen zij het boek binnen een ‘realisme’ te krijgen, waarin het niet thuishoort en misvatten het wezen van de vertelling.12 In tegenstelling tot het geopperde ‘realisme’ van de roman moet men de stelling hanteren dat het boek juist irrealiteit realiseert - hoewel ongetwijfeld om hiermee iets over de realiteit te zeggen.

[p. 96]

Wat wezenlijk verklaard moet worden is niet óf Dorbeck bestaat, maar waarom hij onvindbaar is. En het antwoord op deze vraag zou de andere stelling achter het verhaal duidelijk maken: naast de mening dat het voor de mens onmogelijk is zijn natuurlijke positie te overstijgen en zijn super-ego te worden, blijkt de historische realiteit voor de mens onbereikbaar: men kan de hoedanigheden van een historisch feit niet bepalen en nog sterker zelfs helemaal niet bepalen wie er een rol in gespeeld hebben.

*Mijn dank gaat naar Kees-Jan Backhuys, Johan Taeldeman, Freaky Pete, Maarten Engel, Ted Szántó, Ria van der Lecq en Diane Neijweide voor kritiek op de eerdere versies van deze tekst of anderszins.
1Het gaat mij hierbij om de fundamentele opbouw van het boek. Niet zoals Bersma (1972) om doublures binnen het verhaalgegeven of zoals Smulders (1983) om de precieze opbouw van het verhaal.
1Het gaat mij hierbij om de fundamentele opbouw van het boek. Niet zoals Bersma (1972) om doublures binnen het verhaalgegeven of zoals Smulders (1983) om de precieze opbouw van het verhaal.
2Telefoonnummer 030-2348576.
3Hermans duidt dit ook aan als hij in een interview opmerkt: ‘Ik heb er wel eens over gedacht om een vervolg op De donkere kamer van Damokles te schrijven, waarin Dorbeck toch opduikt. Maar dat wordt natuurlijk een geweldige teleurstelling, want al de dingen waarvan Osewoudt de schuld of de verantwoordelijkheid op Dorbeck schuift, zou Dorbeck ongetwijfeld weer van zich schuiven.’ in Frans A. Janssen: Scheppend nihilisme, Amsterdam, 1983, p. 108.

4Zie Smulders (1983: 294).
5Het is mijn bedoeling in deze tekst het boek van Hermans immanent, dus vanuit het werk zelf te verklaren. Hierbij kan ook gewezen worden op een fragment van de Griekse filosoof Heraclitus, namelijk fragment 98: ‘Hybris [overmoed, AK] behoort geblust te worden nog veel meer dan een uitslaande brand.’ Het bestraffen van hybris is het wezen van de Damokles-mythe die naar ik later zal beschrijven de grondslag is voor Hermans' boek De donkere kamer van Damokles. Heraclitus' filosofie is met betrekking tot het boek niet veraf: deze filosoof leert namelijk de eenheid der tegendelen en dit is gezien het verloop van het boek relevant. Zie hiervoor J. Mansfeld:
Heraclitusfragmenten, Amsterdam, 1979.

6Een ander proscopisch moment is te zien in de film waar Osewoudt en Marianne naartoe gaan, de film ‘Praeludium’. Voor de film wordt een afbeelding getoond van de gezochte Osewoudt. Dit is een ‘praeludium’ (voorspel) voor wat Osewoudt in het bevrijde zuiden zal horen: overal is Osewoudts portret als dat van een misdadiger tentoongesteld.
7Het bevreemdende van deze passage wordt opgemerkt door Smulders (1983) op p. 294: ‘Ik heb met opzet datgene weggelaten wat na “Hij leek op jou [... ]” volgt: zoals het negatief van een foto lijkt op een positief [... ] Wanneer de lezer zich werkelijk zou realiseren wat Ria beweert, zou “Hij leek precies op jou” zijn betekenis geheel verliezen. Want voor iemand met een ongeoefend oog lijkt het gezicht dat gevormd wordt door het negatief van een foto in het geheel niet op het gezicht dat door het positief van dezelfde foto gevormd wordt...’ Het gaat in deze uitspraak van Ria niet om de gelijkenis aan te geven, maar om de positief-negatief verhouding tussen Osewoudt en Dorbeck, de superpositie van de personen uit de mythe en om het omkerings/donkere kamer-effect, het zwarte haar en het witte haar.
8Zie hiervoor ook Janssen (1976: 47-49).
9In wezen sluit de thematiek van het boek aan bij die van Ik heb altijd gelijk uit 1951 in zoverre dat hierin ook een ego en een super-ego (de oudere zuster van Lodewijk) thema van het werk is.

10Vergelijk de conclusie van Janssen (1972), dat de wijzigingen in de nieuwe druk van de roman alleen daartoe dienen om de ontkenning van Dorbecks bestaan nog moeilijker te maken.
11Zie voor een precieze en uiterst gedetailleerde beschrijving van de wijze waarop de eerstgelezen realiteit op losse schroeven komt te staan Smulders (1983).
12Vergelijk hiermee wat Knuvelder (1964) opmerkt op p. 10 e.v. over het ‘realisme’ in de roman. Hij plaatst bet boek niet in een ‘realistische’ romantraditie. Vergelijk ook Dubois (1958: 82): ‘De kracht van Hermans bestaat erin zijn lezers te doordringen van het besef dat dingen die niet kunnen, niettemin wáár zijn.’
terug  begin  verder