Het idee van Betlem (1966) dat Dorbeck bij de eerste twee ontmoetingen bestaat en verder louter een psychologische dubbelganger van Osewoudt is en dus minstens gedeeltelijk een hallucinatie, heb ik impliciet al bekritiseerd in mijn vorige stuk door onder andere te betogen dat Dorbeck ook tijdens de vierde ontmoeting moet bestaan omdat Osewoudt dan een pistool krijgt waarmee hij later iemand doodschiet.
Betlem legt de grens tussen de tweede en derde ontmoeting omdat Dorbeck bij de tweede ontmoeting zijn uniform bij Osewoudt achterlaat, dat later wordt teruggevonden. Maar, zoals Janssen al heeft betoogd (1983, 43), deze grens is willekeurig omdat de derde ontmoeting gewoon is en niets van een zinsbegoocheling heeft. Dorbeck staat ineens in de winkel, maar die indruk krijgt Osewoudt omdat hij zich even had omgedraaid. Osewoudt ziet Dorbeck nadat hij weg is gegaan niet meer op straat, maar, zoals er staat, de tram beperkt zijn uitzicht en dat hij hem niet in de tram ziet bewijst niet dat Dorbeck er niet in zit (DKD 26).
Hier is nog meer aan toe te voegen, over Betlem's psychologische argumentatie. Volgens Janssen toont Betlem ‘aan de hand van een uitvoerige analyse van de gegevens over Osewoudts jeugd aan dat deze gepredisponeerd is tot pathologisch gedrag’ (1983, 42). Laten we bezien of Betlem iets aantoont. Hij meent dat de lezer, daar die met reden mag twijfelen aan de objectiviteit van Osewoudt's waarnemingen wanneer die zijn eigen uiterlijk betreffen, ook het recht heeft sceptisch te staan tegenover zijn visie op de buitenwereld (281).
Bersma (24-25) heeft echter al laten zien dat Osewoudt wel reden heeft om ontevreden te zijn over zijn uiterlijk. Vele anderen, zoals Elly, vinden het ook min, in de eerste plaats zijn vrouw Ria. De anderen drukken zich wat minder sterk uit, maar dat is een kwestie van niet - al te - beledigend willen zijn.
Ten tweede, de veronderstelling dat Osewoudt zijn uiterlijk vermoedelijk een keer, in een pessimistische bui, als nog ongunstiger ziet dan nodig is levert geen enkel argument op om zijn waarnemingen van wat zich voordoet in twijfel te trekken. Want iets mooi of lelijk vinden behoort tot een andere categorie dan feiten waarnemen, het eerste is altijd subjectief. Iemand die iets lelijker of mooier vindt dan anderen het vinden kan toch heel goed waarnemen wat er is. Betlem maakt Osewoudt zonder enige behoorlijke reden tot een paranoïde, krankzinnige, figuur.
Daarvoor voert hij nog een paar dingen aan. Hij beroept zich op het verhaal, waar de roman mee begint, over de man op het vlot in zee. Die parabel zou op Osewoudt betrekking hebben, hetgeen plausibel is. Overigens is ze niet als bewijsmateriaal voor het geval Osewoudt te gebruiken. Je moet haar op zichzelf bekijken en vergelijken met Osewoudt's leven om te zien of ze op hem betrekking heeft. Hoe dan ook, er is volgens Betlem uit af te leiden dat Osewoudt ‘een dodelijke angst voor zijn omgeving’ heeft (278).
Dat is echter niet zo. De man op het vlot die bijna sterft van dorst is niet bang voor het water (er is geen sprake van storm), maar haat het, zoals het luidt, omdat hij niets aan het zoute water heeft. Zo ook heeft Osewoudt lange tijd niets aan zijn omgeving, die hem verveelt. Later is hij wel eens bang, wat uitkomt doordat zijn tanden klapperen, maar dat is in echt gevaarlijke situaties. De onderwijzer die het verhaal vertelt zegt dat de man, toen het vlot door de bliksem in brand vloog, met dat gehate water toch maar kon proberen de brand te blussen. Moraal: de afkeer van het water was onterecht. De kleine Osewoudt voegt hier achteraf iets aan toe: ‘Als hij de brand geblust heeft, is hij evengoed doodgegaan, van dorst. Wij hebben ons gek gelachen’ (7). Op jeugdige leeftijd een realistische pessimist, die Osewoudt, hij verliest de uitgangssituatie niet uit het oog. Later echter wèl: hij zal sterven omdat hij niettemin zal proberen te drinken.
Wat Osewoudt's gedrag betreft, hij is volgens Betlem argwanend tegenover de jongens van zijn school. Ja, dat is hij, misschien wat tè, maar hij heeft afgeluisterd dat zijn opvoedster tante Fietje hem een misbaksel vindt, ook uiterlijk, een oordeel dat hij overneemt (15-16). Het is begrijpelijk dat hij denkt dat anderen hem ook als min zullen zien en sommigen geven daar trouwens later ook blijk van. Dan komt Betlem met Osewoudt's achtervolgingsangsten en zegt dat hij zich vaak bevindt in situaties die aan een angstdroom doen denken. Inderdaad, maar daar hij NSB'ers doodschiet wordt Osewoudt echt achtervolgd. Een verzetsman die in de Tweede Wereldoorlog dacht dat de Duitsers hem een kopje kleiner wilden maken was niet paranoï-
de, maar reëel. (Als Betlem meende dat die situaties niet echt maar verbeeld zijn, zou hij aannemen wat hij nog moet aantonen.)
Tenslotte zegt hij dat hij slechts één voorbeeld zal geven van Osewoudt's vluchtgedrag. Als men slechts één gedragsvoorbeeld geeft om iemands paranoia aan te tonen moet dit ijzersterk zijn en geen ruimte voor twijfel laten. Het voorbeeld is het zijns inziens ‘volkomen door ongegronde angst beheerste gedrag van Osewoudt wanneer hij merkt dat een filmpje dat Dorbeck hem gegeven had, waarschijnlijk door zijn schuld mislukt is.’ Die ‘buitensporige vrees’ zou ‘door niets gerechtvaardigd worden’ (1966, 282).
Die sterke bezorgdheid wordt echter geheel gerechtvaardigd door het gegeven dat Osewoudt ‘niet aangezien wilde worden voor een man die alleen maar teleurstellingen tot ontwikkeling kon brengen’ (DKD 29). Hij wil geen knoeier zijn in de ogen van de hem imponerende Dorbeck en spaart kosten noch moeite om zich bij hem te kunnen excuseren. Deze beweegreden is volkomen begrijpelijk. Ze is niet anders dan bij mensen die niet voor schut willen staan in de ogen van een aanbeden vrouw, een gerespecteerde leermeester of een chef die over hun toekomstige loopbaan zal beslissen. Niet alleen dat het ene voorbeeld niet sterk is, het stelt niets voor.
Betlem's poging Osewoudt als krankzinnig voor te stellen, die had moeten slagen om de mening te kunnen koesteren dat Dorbeck een hallucinatie is, faalt geheel. Zijn psychologische beschouwing is van nul en gener waarde.
Betlem wijst er ook op dat Osewoudt's moeder aan paranoia lijdt (paranoïde schizofrenie, lijkt mij). ‘De mógelijkheid bestaat dat Osewoudt erfelijk belast is, de psychiater onder andere zinspeelt daarop. Wat hij zegt klinkt zelfs heel redelijk’ (283).
Dat de mogelijkheid bestaat is niet te ontkennen. Indien er aanwijzingen bij de persoon zelf zijn, waarover de psychiater ten onrechte meent te beschikken door wat hij van anderen heeft gehoord, ligt de link met de moeder voor de hand. Osewoudt lijdt echter slechts éénmaal aan een zinsbegoocheling, die duidelijk wordt aangegeven. Omdat er verder niet op zinsbegoochelingen wordt geduid vervallen interpreten die er graag meer willen ontdekken in algehele willekeur. Betlem meent, als gezegd, dat Dorbeck vanaf de derde ontmoeting een geestesbeeld is, een ander dat pas de al besproken, vierde ontmoeting een hallucinatie is, weer anderen dat de hele Dorbeck dat wel zal zijn, Dupuis dat de ontmoetingen met Dorbeck allemaal magisch en droomachtig zijn (zie volgend opstel). Men maakt ervan wat men wil.
Ook andere interpreten nemen aan dat Osewoudt erfelijk belast is. Dat
is het oordeel van de psychiater, die meent dat Dorbeck een projectie van Osewoudt is omdat zijn moeder krankzinnig was. De psychiater velt dit oordeel zonder Osewoudt in observatie te nemen; hij gaat af op de inlichting van anderen dat Dorbeck niet bestaat.
Dit oordeel is al voorbereid. Tante Fietje en haar vriendinnen menen dat een jongen zonder baardgroei en met zo'n moeder ‘natuurlijk niet normaal’ kan zijn (15). Let op het woordje ‘natuurlijk’, dat haar gebrek aan kennis moet camoufleren. Ook vinden ze het abnormaal dat de jongen niet naar meisjes taalt, niet wetend dat hij met zijn nicht Ria slaapt.
Oom Bart zegt dat Osewoudt een dégeneré is wanneer hij zijn haar zwart heeft laten verven. Oom neemt op staande voet aan, zonder een schijn van bewijs, dat hij aan zwarthandel doet. Osewoudt antwoordt sarcastisch: ‘Jawel, een dégeneré, omdat ik geen baard heb! Godverdomme’ (99). Het al lang verlaten psychiatrische begrip ‘degeneratie’ sluit erfelijke belasting in. De vriendelijke, welgezinde psychiater gebruikt later die term niet, maar zijn oordeel komt op hetzelfde neer als dat van Fietje en Bart en is ook grotendeels op hetzelfde gebaseerd. Het verschil is alleen dat de psychiater meent, afgaande op andere autoriteiten, dat Dorbeck niet bestaat, zodat hij een extra reden heeft. Hermans maakt het idee van erfelijke belasting bij voorbaat belachelijk door het de bevooroordeelde Bart impliciet te laten uitspreken om een manifest onware reden.
We kunnen nu zien waar de psychologische kijk van Betlem onder te brengen is. Hij is even bevooroordeeld als Fietje en Bart. Zijn kijk behoort tot de categorie ‘tante Fietje psychologie’. Hermans wilde via zijn personages illustreren hoe het in de wereld toegaat. Als dit geslaagd is moeten tenminste enkele interpreten dezelfde gebrekkige redeneerwijze ten toon spreiden als zijn personages. We zullen later zien dat er nog meer zijn.
‘Wie de nadruk legt op de psychische structuur van de hoofdfiguur, zal sneller geneigd zijn Dorbeck als zijn projectie, als een denkbeeldige dubbelganger dus, te zien’, heeft Anbeek opgemerkt (1986, 124). Dit gaat voor beschouwers als Betlem op, maar er is geen behoorlijke reden voor deze neiging. Ze bestaat dan ook niet bij iedereen. Ze is bijvoorbeeld niet op te merken in het psychoanalytische artikel van Weilnböck en dat van Eidecker, die over de psychologische betekenis van Dorbeck voor Osewoudt schrijft, maar Dorbeck's bestaan als zeker beschouwt.
De Levita stelt in zijn psychiatrische studie dat als er dingen over de ouders voor het kind geheim zijn gehouden dit later de mogelijkheid tot
kennisverwerving benadeelt. Het geheimhouden is ook Osewoudt gebeurd, namelijk over de moord op zijn vader, en daarom zou zijn ‘capacity for cognition’ ernstig beschadigd zijn (93).
Van wat De Levita hiervoor aanvoert is enkel relevant: ‘He fails at school’, en dit is niet juist. Osewoudt behaalt ‘redelijk goede cijfers’ (12) en heeft met succes eindexamen HBS gedaan (103, 104), anders zou zijn oom ook niet kunnen vragen of hij niet wil gaan studeren (17). In die tijd de HBS halen vereiste een respectabel IQ. Dat Osewoudt geen zin in studeren heeft en geen interessant beroep kiest is niet zo relevant, daar het door zijn gebrek aan belangstelling en zijn gehechtheid aan zijn moeder komt en niet door zijn ‘capacity for cognition’. Dat hij een lage zelfdunk heeft, heeft evenmin iets met de capaciteit tot kennisverwerving te maken. De Levita meent overigens niet dat Dorbeck een hallucinatie is.
In haar als samenvatting bedoelde Memo-boekje beweert Juffer dat Osewoudt opgesloten is in zijn particuliere waanvoorstellingen. Maar zij geeft hiervoor geen bewijsmateriaal, behalve dat zijn geheugen hem op twee ondergeschikte punten in de steek laat. Ook stelt ze zonder een schijn van bewijs dat hij aan achtervolgingswaan lijdt (27). Maar hij wordt echt achterna gezeten door de Duitsers en daarna belaagd door de Nederlanders. (En hij wordt ook belaagd door sommige interpreten, maar dat terzijde.) Juffer komt vermoedelijk tot zulke loze beweringen door de invloed van auteurs als Janssen en Betlem. Zo worden zwakke respectievelijk totaal bevooroordeelde opmerkingen omgezet in lege kreten.